WUPJlogo 

Torah from Around the World
__________________________________________________________

Nittai de Arbeliet zei:
Hou je verre van een slechte buur,
tot je zijn positieve kracht ontdekt.
En verbind je niet met een afbreker,
tot je weet op te bouwen.
En alles zal zijn loop hebben.

Pirke Awot / Spreuken over de Fundamenten, 1:7

(in de vertaling van Leo Mock en Marcel Poorthuis)

_______________________________________________________________

Indien u ons wilt steunen en ook in staat wilt stellen deze commentaren te verzorgen met een gift die aftrekbaar is voor de belasting, klik dan hier

Alvast onze dank.

_______________________________________________________________
   

Sjabbat 12 augustus 2017 / 13 Av 5777, Ekev, Dewariem/Deuteronomium 7:12 - 11:25
    Tanach blz. 366 - 375
Haftara: Jesjaja 49:14 - 51:3
    Tanach blz. 885 - 887

Commentaar: Rabbijn Ethan Linden is sinds 2016 hoofd van Camp Ramah in the Berkshires, in Wingdale, N.Y., de Verenigde Staten.

vertaler: Channa Kistemaker

 Het Engelse origineel

_____________________________________________________ 

Heb de vreemdeling lief 

In de sidra van deze week treffen we een merkwaardige stelling aan, vermomd als iets alledaags. Een revolutionair idee, dat ons op het eerste gezicht bekend voorkomt, maar dat helemaal niet is. In Dewariem/Deuteronomium 10:19 draagt de Tora ons op: „We-ahavtem et ha-ger ki geriem hajietem be-erets mitsrajiem.” „Ook moet u vreemdelingen liefhebben, want u bent zelf vreemdelingen geweest in Egypte."

Natuurlijk, we komen vergelijkbare stellingen tegen op andere plaatsen in de Tora, maar er is een belangrijk verschil. Neem bijvoorbeeld Sjemot/Exodus 22:20: „We-ger lo tonè we-lo tilatsenoe.”  „Vreemdelingen mag je niet uitbuiten of onderdrukken, (...).” Het slot van dit vers, dat de reden voor dit gebod aangeeft, of anders de reden waarom het volk moeite zou moeten doen het te vervulllen, is gelijk aan dat in Dewariem: „(...), want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte." Maar in Sjemot, en op de meeste andere plaatsen in de Tenach waar deze kwestie wordt aangeroerd, luidt het gebod: „Vreemdelingen mag je niet uitbuiten of onderdrukken." In Dewariem 10:19 wordt ons opgedragen: Hebt lief. Het een is een negatief bevel: ga niet op zo'n manier om met een vreemdeling. In de sidra van deze week wordt echter een positieve eis gesteld: stap op een ger af en bewijs hem of haar een gunst.

Vermoedelijk is die discrepantie voor Rasji de aanleiding tot zijn boeiende commentaar op dit vers. Hij citeert daarbij de Talmoed (BT Baba Metzia 59b): „Hekel je naaste niet vanwege een onvolkomenheid die je zelf hebt.” Dit is een verrassende aanpak van het vers, een aanpak die de moeilijkheidsgraad van deze mitswa verhoogt. Het is immers gemakkelijker en kost veel minder moeite om iemand niet te onderdrukken, dan om daadwerkelijk moeite te doen om vriendschap met hem te sluiten, te proberen hem te begrijpen en van hem te houden. Waar men het gebod van Sjemot eenvoudig kan vervullen door uit de buurt van een ger te blijven, lijkt de Dewariem-versie in deze sidra precies het tegenovergestelde te eisen: toenadering te zoeken tot de ger, zodat we hem kunnen zien en hij ons kan zien. Misschien was Rasji zich bewust van dit verschil en interpreteerde hij het vers zo dat het niet om beleid lijkt te gaan, maar om wellevendheid. Wij hebben allemaal tekortkomingen, lijkt Rasji te zeggen, en misschien moeten we daaraan denken in de omgang met onze naasten.

Rasji's interpretatie lijkt er ook van uit te gaan dat het gebod niet alleen de ger betreft, maar dat het zich uitstrekt tot de manier waarop wij in het algemeen omgaan met de mensen om ons heen. Het is opvallend dat de context in de Talmoed van de aantekening die Rasji aan dit vers verbindt, helemaal gaat over de grote schade die in de wereld kan worden aangericht door mensen van wie de gevoelens van eigenwaarde zijn gekrenkt. Het verhaal over gekrenkte eigenwaarde, dat onmiddellijk voorafgaat aan deze discussie in de Talmoed, is het beroemde verhaal over de oven van Aknai; het debat onder de rabbijnen over de rituele geschiktheid van een bepaalde oven, dat eindigt met een stem uit de hemel die zegt: „Dit zijn de woorden van de levende God."

Dit verhaal wordt meestal geïnterpreteerd als een bewijs voor goddelijk pluralisme, of anders als een voorschrift over de wetgevende macht van de meerderheid. Maar meestal lezen we niet verder op het punt waar het verhaal zijn ontknoping krijgt: Rabbi Eliëzer, die het minderheidsstandpunt verdedigt, wordt in de ban gedaan, zijn uitspraken in alle rechtsgedingen worden ongeldig verklaard, omdat hij zich tegen de meerderheid was blijven verzetten. Dat leidt tot veel gekrenkte gevoelens van eigenwaarde, en tenslotte bidt Rabbi Eliëzer om de dood van zijn voornaamste tegenstander, Rabban Gamliël. Zijn gebed wordt verhoord, zo krijgt hij te horen van zijn vrouw (die toevallig de zuster van Rabban Gamliël is!), omdat „de poorten van gekrenkte eigenwaarde altijd open zijn.”

Dit is een wat geheimzinnige bewering, maar het betekent waarschijnlijk dat de gebeden van hen die beledigd zijn toegang tot de hemel krijgen en verhoord worden. (Vergelijk het gezegde dat „de poorten der tranen altijd geopend zijn”, een uitspraak die afkomstig is uit hetzelfde Talmoed-tractaat, red.). Misschien kunnen we het ook menselijk opvatten: sommige wonden gaan nooit dicht. Als dat zo is, moeten we oplettend zijn in hoe wij met mensen praten, voorzichtig in hoe we met elkaar omgaan. Dat betekent niet bij iedereen uit de buurt blijven, en je nergens mee bemoeien. Het gaat om het zoeken naar manieren om degenen met wie we samenleven lief te hebben: onze familie, onze vrienden, de leden van de grotere gemeenschap.

De Talmoed weet dat de fout die we het gemakkelijkst zien in anderen, juist de fout is die we ook in onszelf vinden. Rasji verbindt die gedachte met het gebod de vreemdeling lief te hebben en daarmee maakt hij het gebod universeel. In zekere zin zijn wij allemaal vreemden voor elkaar. We moeten manieren vinden om over de kloof die tussen ons bestaat heen te reiken. Als eerste stap moeten we, om te beginnen, elkaar niet krenken, niet beschadigen. Vervolgens, als we die eerste voorzichtige toenadering hebben gedaan, moeten we nog dichterbij komen en in de ander niet alleen de fouten vinden waarvan we weten dat we die zelf ook hebben, maar zijn menselijkheid die onze liefde waardig is en die ieder mens als een geboorterecht bezit.

De poorten van gekrenkte eigenwaarde zijn nooit gesloten, maar als we proberen elkaar lief te hebben, lukt het ons misschien om te voorkomen dat ze wijder open gaan.

 Terug naar boven