WUPJlogo 

Torah from Around the World
__________________________________________________________

Nayn rabonim kenen keyn minyen nit makhn ober tsen shusters yo.

Negen rabbijnen kunnen geen minje maken, tien schoenmakers wel.

                                                                              Jiddish spreekwoord

_______________________________________________________________

Indien u ons wilt steunen en ook in staat wilt stellen deze commentaren te verzorgen met een gift die aftrekbaar is voor de belasting, klik dan hier

Alvast onze dank.   

_______________________________________________________________
 

Sjabbat 16 maart 2019 / 9 Adar II 5779, Sjabbat Zachor, Wajikra, Wajikra/Leviticus 1:1 -  5:26

                Tanach blz. 197 - 205

2de sefer: Dewariem/Deuteronomium 25:17 - 19

                Tanach blz. 400

Haftara: I Sjemoeël/I Samuel 15:2 - 34

                Tanach blz. 568 -  570

vertaler: Channa Kistemaker

Commentator: Robert Tornberg, specialist op het gebied van joods onderwijs en Onderwijsdirecteur van DeLeT aan het Hebrew Union College - Jewish Institute of Religion.

Het Engelse origineel 

__________________________________________________ 

 

Door de rook heen kijken

Wanneer we het boek Wajikra en de eerste sidra - die ook Wajikra heet - lezen, krijgen we wellicht het gevoel dat we op zoek zijn naar betekenis dwars door de dikke rook van de offers heen die in het boek en in de sidra van deze week worden beschreven. De sidratekst heeft een grote dichtheid, zit vol herhalingen, en lijkt niets met ons eigen leven te maken te hebben.

In de sidra van deze week horen we iets over de verschillende wetten betreffende de vijf soorten offers die Joden duizend jaar lang hebben gebracht in hun eredienst. Deze offers vonden plaats in het draagbare heiligdom - het tabernakel, of de ‘Tent van Samenkomst’ in de woestijn - en later in de Tempel te Jeroesjalajiem. Dit zijn ze:

  • De ola, het ‘brandoffer’ (Wajikra 1:1-17). Dit vrijwillige korban (‘offer’, het woord komt van een wortel (drie kernletters, red.) die ‘dichterbij brengen’ betekenen) was het meest algemene offer, waardoor de schenker dichter bij God werd gebracht. Het ging altijd om een dier, dat werd geslacht en in zijn geheel verbrand, omhoog gezonden naar God. Vandaar de naam ola, wat ‘opgaan’ betekent.
  • Het mincha-offer, het ‘graanoffer’ (Wajikra 2:1-16): gewoonlijk ook een vrijwillig offer, dat bestond uit meel en olie (zonder gist), en al dan niet gebakken was. Een deel ervan moest worden verbrand op het altaar, samen met het reukwerk. De rest werd gegeten door de priesters. Dit offer werd vaak geschonken door degenen die te arm waren om een dier als ola te offeren. (Zie Wajikra Rabba, 3:1)
  • Het zevach sjlamiem, het ‘offer van welzijn’, ook wel ‘vredeoffer’ genoemd (Wajikra 3:1-17). Dit offer dat uit dankbaarheid of erkentelijkheid werd gebracht, werd niet in zijn geheel verbrand. Een voorgeschreven deel werd verbrand op het altaar, een deel werd aan de priesters gegeven, en de rest werd als feestmaal gegeten door de schenker en zijn gasten.
  • De chatat, het ‘zondeoffer’ of ‘reinigingsoffer’ (Wajikra 4:1 - 5:13). Dit offer werd gebracht als verzoening voor een onopzettelijke misstap (verwant aan het woord chet, dat ‘zijn doel missen’ betekent). De betreffende misstap kon zowel individueel als gemeenschappelijk zijn en het offer betrof meestal een dier (hoewel een graanoffer toegestaan was). Het offeren hield in dat er bloed op het altaar werd gesprenkeld, waarna de priesters het vlees van het dier mochten eten.
  • De asjam, het ‘hersteloffer’ (Wajikra 5:14-26). Dit offer werd op dezelfde manier behandeld als de chatat, behalve dat hiervoor een ram vereist was. Het werd doorgaans geofferd door iemand die een ander bestolen had. De pleger moest dat wat hij weggenomen had teruggeven, met twintig procent er bovenop, en vervolgens een asjam offeren om vergeving van God te krijgen.

De beschrijvingen van al die offers zijn niet door te komen. Eén voorbeeld van de buitengewone gedetailleerdheid in deze sidra is wel genoeg. Als iemand een schaap offert als chatat: „Hij moet zijn hand op de kop van het dier leggen en het als reinigingsoffer slachten op de plaats waar de dieren voor het brandoffer geslacht worden. De priester strijkt wat bloed van het offerdier aan de horens van het brandofferaltaar, en de rest van het bloed giet hij uit aan de voet van het altaar. Al het vet moet hij verwijderen (...) en hij moet het verbranden op het altaar (...)." (Wajikra 4:33-35)

Deze mate van tekstdichtheid kenmerkt alle beschrijvingen voor elke soort en ondersoort van de offers in deze sidra. Geen wonder dat sommige mensen het gevoel krijgen dat het wazig wordt voor hun ogen en dat zij branden door de rokerigheid van die uiteenzettingen. Niettemin geven de beginwoorden van de sidra ons een aanwijzing die de rook zou kunnen verdrijven en ons een helder antwoord zou kunnen geven op de vraag waarom al die gedetailleerde beschrijvingen wellicht toch een belangrijke boodschap bevatten.

De openingswoorden van Wajikra luiden: „De Eeuwige riep Mosjé en zei vanuit de ontmoetingstent tegen hem: 'Zeg tegen de Jisraëlieten: . . .’” (Wajikra 1:1-2) En dan volgen al die beschrijvingen waar we het over hebben. De vraag die zich nu opdringt is: Waarom in 's hemelsnaam zegt God tegen Mosjé dat hij al die details aan het hele volk moet uitleggen? Als het erop aankomt zijn dit instructies die alleen voor de kohaniem, de priesters, bedoeld zijn. Waarom heeft God Mosjé niet gewoon opgedragen alleen hén te leren hoe die rituelen gedaan moeten worden? Waarom valt Hij alle anderen ermee lastig en verveelt Hij er uiteindelijk ons, de Toralezers uit later tijden, mee?

Een van de mogelijke antwoorden is dat al die details juist bedoeld zijn om het rookgordijn rond de offers te verdrijven. Immers, als alleen de priesters zouden weten wat er gebeurt tijdens de rituelen, dan zou de rest van het volk achter een rookgordijn blijven staan en in het duister tasten. De Tora zorgt ervoor dat het Jodendom geen esoterische godsdienst is, gedragen door priesters, die meer ‘waarheid’ kennen dan ieder ander. Integendeel, het Jodendom is open en toegankelijk voor ons allemaal. Je hoeft alleen op te letten en te leren om te weten te komen hoe je Jood moet zijn - ook al is men geen priester, zoals vroeger, of rabbijn, zoals nu.

Dus Wajikra, met al zijn bewerkelijke details, herinnert ons aan wat we in Sjemot (19:6) al geleerd hebben, namelijk dat wij „een „koninkrijk van priesters en een heilig volk” zijn. Onze traditie ligt niet verborgen in veilige kluizen, gesloten boeken, of achter gesloten deuren. Het is open en inzichtelijk.

Moge dit ook zo zijn in de rest van ons leven - in de politiek, in het bestuur, in onze sjoels, en in onze families.

Terug naar boven