WUPJlogo 

Torah from Around the World
__________________________________________________________

Als je je concentreert op wat goed is in elke situatie,
zul je merken hoe je leven zich vult met dankbaarheid,
een emotie die je ziel zal voeden.

                                                                              Harold Kushner

_______________________________________________________________

Indien u ons wilt steunen en ook in staat wilt stellen deze commentaren te verzorgen met een gift die aftrekbaar is voor de belasting, klik dan hier

Alvast onze dank.   

_______________________________________________________________
 

Sjabbat 23 februari 2019 / 18 Adar I 5779, Ki Tisa, Sjemot/Exodus 30:11 - 34:35

                Tanach blz. 172 - 182

Haftara: Joël 3: 1-5, 4:18 - 21

                Tanach blz.1163 - 1164

vertaler: Jochanan Belinfante

Commentaar: Rabbijn Laura Geller. Zij leidt Temple Emanuel of Beverly Hills in Beverly Hills, Californië.

Het Engelse origineel 

__________________________________________________ 

 

De Heiligheid van Heelheid - en Gebrokenheid

De sidra van deze week bevat een van de meest dramatische gebeurtenissen in de hele Tora, de episode van het gouden kalf. Mosjé is zeer lange tijd op de berg Sinaï gebleven. Te lang voor die Israëlieten die nog steeds Egypte in hun hart meedragen. Zonder hun leider kunnen zij hun geloof in een onzichtbare God niet volhouden. Dus halen zij Aharon over om voor hen een gouden kalf te maken.

Als God Mosjé vertelt wat er is gebeurd aan de voet van de berg, zijn zowel Mosjé als God kwaad. Mosjé slaagt erin Gods boosheid te kalmeren, maar wanneer hijzelf van de berg Sinaï afdaalt en met zijn eigen ogen ziet dat zijn volk danst rondom dit idool, gooit hij de Stenen Tafelen, beschreven door de ‘vinger van God’, te pletter.

Mosjé gaat opnieuw de berg op en ook nog een derde keer, in de hoop dat hij in staat zal zijn opnieuw te beginnen. Hij bidt voor een tweede kans, en vraagt zich af of God dit volk ooit zal kunnen vergeven - en of God hem ooit zal kunnen vergeven. De derde klim begon, volgens Nachmanides, op de eerste dag van de maand elloel. (Nachmanides' commentaar op Sjemot/Exodus 33:7)

Misschien worstelde hij nog steeds met de verschrikkelijke beelden in zijn hoofd van al die mensen, die buiten zinnen waren, terwijl zij lachend rondom die gouden afgod dansten; een kalf zoals hun Egyptische onderdrukkers aanbaden. Misschien dacht hij: hoe konden zij dit doen, zo snel nadat zij aan de voet van de Berg Sinaï stonden en zelf getuige waren van Gods aanwezigheid, door donder en bliksem? Hoe kon het dat zij zo gemakkelijk werden afgeleid? Wat maakte hen zo verward, zo bang om te vertrouwen op wat zij zojuist hadden ervaren? Hoe konden zij zo snel in de steek laten wat zij hadden moeten omarmen?

Mosjé was ook kwaad op zichzelf, omdat ook hij zijn zelfbeheersing was kwijtgeraakt. Waarom had hij de Stenen Tafelen stuk gegooid? Die waren immers aangeraakt door Gods eigen hand! Had Mosjé hen werkelijk tegen de grond gesmeten? Of vlogen de heilige letters weg, zodat de stenen het enige was dat overbleef, stenen zo zwaar dat hij ze niet meer kon tillen?

Gemarteld door zijn eigen vertwijfeling en angst, pleitte hij met de God die hij slechts kende als de Eeuwige, die er altijd was en er altijd zou zijn: „Laat mij toch Uw Majesteit zien!” (Sjemot 33:18) Maar op het moment dat Mosjé deze woorden sprak, wist hij al dat hij het onmogelijke gevraagd had, want niemand kan Gods aangezicht zien en in leven blijven.

Maar hij hoorde wel Gods stem binnenin zichzelf weergalmen: „Er is een plaats op de rots waar je dicht bij Mij kunt komen staan. Als dan Mijn Majesteit voor je langs gaat, zal Ik je in een kloof laten schuilen en Mijn hand beschermend voor je houden tot Ik voorbij ben. Als Ik mijn hand weghaal, zal je Mij van achteren zien; Mijn gezicht mag niemand zien.” (Sjemot 33:21-23)

„De Eeuwige ging voor hem langs en Hij riep: ‘De Eeuwige is De Eeuwige! almachtige God! barmhartige God en genadig, die niet snel boos wordt, en oneindig is in genade en trouw! Die zijn genade voor duizenden geslachten bewaart; die misdaad schuld, en zonde vergeeft; die echter niet ongestraft laat; maar die de misdaad der ouders aan kinderen en kleinkinderen gedenkt, tot in het derde en vierde geslacht!” (Sjemot 34:6-7)

Toen Gods Aanwezigheid langs ging, werd Gods Wezen onthuld. God zei: ‘Dit is wie Ik ben. Adonai, nog steeds Adonai, Dezelfde voordat iemand zondigt en daarna. Liefdevol en genadig; overvloedig in vriendelijkheid, zelfs al zie Ik de kwetsbaarheid van de menselijke aard; en vergevingsgezind voor de mensen als zij zondigen.’

Deze woorden moeten Mosjé getroost hebben. Zij troosten ons nog steeds. Wij herhalen deze zogeheten 'dertien attributen' op de belangrijke feestdagen, ofschoon wij het laatste zinsdeel weglaten om de nadruk te leggen op de eigenschap van genade. Deze woorden zijn zo belangrijk dat de Talmoed er iets verbazingwekkends over zegt: „Telkens wanneer Israël zondigt, laat hen dan deze (ere)dienst uitvoeren (ja'asoe lifné k'seder ha-zè, „reciteer [doe] deze woorden en Ik zal hen vergeven,” bT 17b, Rosh Hasjana).

Is het mogelijk dat God alleen al door het zeggen van deze woorden herinnerd wordt aan Zijn goede eigenschap van vergeving,  . . en ons zal vergeven? Er volgt een tegenwerping: „Rabbi Jochanan en rabbi Jehoeda zeiden dat er geen toverkracht schuilt in het reciteren van de dertien attributen van God. De Talmoed zegt niet: „Laat hen deze dienst voor Mij zeggen”, maar Laat hen deze dienst voor Mij doen, ja’asoe.” Vergeving wordt niet door zeggen bewerkstelligd, maar door doen. Alleen wanneer een persoon zich wat betreft zijn of haar goede eigenschappen God navolgt, zal die persoon zijn overtreding worden vergeven. „De dertien attributen zijn geen recept voor de vergeving van zonden, maar een leidraad voor menselijk gedrag.” (Y. Leibowitz, Discussion on the Festivals and Appointed Times of Israel, pp.184-185). In De Palmboom van Devora, een werk waarin rabbi Moses Cordovero (1522-1570) kabbala en ethiek aan elkaar verbindt, worden de dertien attributen opgevat als een uitdaging voor ons om God te evenaren in alles wat wij doen. (uitg. Targum Press, Brooklyn, 1993). Als God kan vergeven, moeten wij dat ook kunnen doen. Herkansingen bestaan echt.

Mosjé komt weer van de berg af met een tweede stel Stenen Tafelen, deze keer geschreven met kennis van de menselijke zwakheid en het vertrouwen in Gods vergeving. De eerste Stenen Tafelen werden alleen vormgegeven door God, maar deze waren het werk van Mosjé en God samen. De eerste keer waren ze perfect; deze keer weerspiegelden ze de realiteit van menselijke zwakheid, de teleurstelling van gebroken beloftes en vervlogen hoop.

Volgens de traditie daalde Mosjé de tweede keer pas veertig dagen na de eerste elloel van de berg af. Die dag was Jom Kippoer, de allereerste Jom Kippoer. Onze voorouders namen deze Stenen Tafelen en legden ze, samen met de gebroken scherven die overbleven van de eerste, in de heilige ark, om ze mee te nemen op hun tocht.

Wij dragen nog steeds twee stel van die Stenen Tafelen met ons mee op onze reis. De hoop op heelheid en de realiteit van de gebrokenheid bestaan naast elkaar in elk van ons. Niemand is perfect. Iedereen vecht met beperkingen en zwakheden; iedereen heeft beloften gebroken en verraden wat we lief hadden. Maar ondanks dit alles is vergeving ingebouwd in de dieptestructuur van het universum. Gods Wezen onthult zichzelf en blijkt barmhartigheid te zijn.

Terug naar boven