WUPJlogo 

Torah from Around the World
__________________________________________________________

Als je je concentreert op wat goed is in elke situatie,
zul je merken hoe je leven zich vult met dankbaarheid,
een emotie die je ziel zal voeden.

                                                                              Harold Kushner

_______________________________________________________________

Indien u ons wilt steunen en ook in staat wilt stellen deze commentaren te verzorgen met een gift die aftrekbaar is voor de belasting, klik dan hier

Alvast onze dank.   

_______________________________________________________________
 

Sjabbat 16 februari 2019 / 11 Adar I 5779, Tetsawè, Sjemot/Exodus 27:20 - 30:10

                Tanach blz. 165 - 172

Haftara: Jesjaja 65:8 - 25

                Tanach blz. 910

vertaler: Benjamin Cohen

Commentaar: Rabbijn Zoë Klein. Zij is de rabbijn van de joodse gemeente Temple Isaiah in Los Angeles, de Verenigde Staten. Ze publiceerde een boek met poëzie, House Plant Meadow, en zij schreef een hoofdstuk in The Women's Haftarah Commentary (Jewish Lights Publishing, 2004).

Het Engelse origineel 

__________________________________________________ 

 

De rol van het offer

In Tetsawè lezen we de opdracht: „Op het altaar moeten elke dag twee eenjarige rammen geofferd worden.” (Sjemot/Exodus 29:38) Dit werd later het tamid offer genoemd (het dagelijkse brandoffer). Het merendeel van de sidra van deze week is gewijd aan offerrituelen. Een enorm aantal van de 613 mitzwot is gewijd aan het offeren, en toch besteden we er vandaag de dag zelden tijd aan om daarover na te denken. Integendeel, de verwijzing ernaar is uit veel van onze sidoeriem (gebedenboeken) verwijderd.

Toch brandde bijna zes eeuwen lang het altaar van de Tweede Tempel als een kleine zon. En zoals de lichtstralen van een uitgedoofde ster blijven bestaan - steeds verdere melkwegstelsels doorkruisend - zo ook blijft de invloed van dat gedoofde Tempelvuur zich ontwikkelen in het religieuze bewustzijn van latere generaties. Dat altaar was een theologische eigenaardigheid, waarop onze ideeën over heiligheid, ethiek en Godsbegrip waren samengebald en waaruit wereldreligies werden gevormd. Het is belangrijk dat we de confrontatie met deze hoofdstukken uit onze geschiedenis aangaan, want door hen stuiten wij op vele diepe waarheden over onszelf.

In de Oudheid werden in veel culturen offers aan de goden gebracht. Wanneer men de sidra van deze week nauwkeurig onderzoekt blijken er twee dingen te zijn waardoor de cultuur van de Jisraëlieten zich onderscheidde van alle anderen: de mysteries van het brandoffer en het bloed.

In de tekst staat: „Verbrand de ram in zijn geheel op het altaar. Het is een brandoffer (...).” (Sjemot 29:18). In andere culturen daarentegen werden de offers vaak beschouwd als echte maaltijden voor de goden.

Men gaat ervan uit dat het diepgewortelde instinct om te offeren in zo veel culturen voortkwam uit fundamentele eeuwenoude taboes tegen het eten van vlees. Pas na Noachs offergaven zegt God: „Alles wat leeft en beweegt zal jullie tot voedsel dienen, zoals Ik je ook de planten heb gegeven.” (Beresjiet/Genesis 9:3). De toestemming voor het eten van vlees wordt gegeven op het moment dat God zich realiseert dat „alles wat de mens uitdenkt, van zijn jeugd af aan (...) nu eenmaal slecht [is].” (Beresjiet 8:21) Het taboe op het doden van dieren vereiste dat vleesconsumptie werd gerechtvaardigd door het dier in een offer te veranderen. God werd ter verontschuldiging aan tafel uitgenodigd.

Echter, in psalm 50:12-14 zegt God: „Had Ik honger, Ik zou het je niet zeggen. Van Mij is de wereld en alles wat daar leeft. Eet Ik soms het vlees van stieren en drink Ik het bloed van bokken? Breng God een dankoffer en doe wat je de Allerhoogste belooft.” In de joodse traditie waren de offers geen voedsel voor God. God eet geen vlees en drinkt geen bloed, en zelfs als God hongert naar wat dan ook, is het arrogant voor mensen om aan te nemen dat zij de macht hebben die honger te kunnen stillen. In I Divré Hajamiem/Kronieken 29:14-15 lezen we: „Alles is van U afkomstig, en wat wij U schenken komt uit Uw hand. Net als onze voorouders zijn wij slechts vreemdelingen die als gasten bij U verblijven, ons bestaan op aarde is als een schaduw (...).” Zelfs hetgeen de mens geeft is genomen van Gods wereld om te geven, op dezelfde manier waarop een kind geld leent van zijn of haar moeder om voor haar een cadeau te kopen. Het is niet de gíft die God verlangt, want alles is van God, maar het gaat om de verering die mensen geven door liefdevolle gehoorzaamheid.

Het is een brandoffer, een geurige gave die de Eeuwige behaagt.” (Sjemot 29:18) Het verbranden van het offer binnen de Jisraëlitische cultuur was volkomen uniek. Er was geen afgod in het heiligdom waaraan een maaltijd kon worden geofferd. Het werd uit de wereld van de mens weggenomen en onomkeerbaar geofferd ten behoeve van Gods wereld. Door de handeling van het brandoffer ontwikkelde het Jisraëlitische concept van God zich weg van de lichamelijkheid, in de richting van een hoog ontwikkeld gevoel van een multidimensionaal heelal, met minder tastbare realiteiten. Het verbranden verplaatste het offer naar het rijk van het etherische, waarbij het Godsbeeld overging van concreet naar abstract.

Samen met het unieke van het brandoffer bestond de Jisraëlitische focus op het bloedoffer. In de sidra van deze week staat: „Slacht het dier en giet het bloed tegen de zijkanten van het altaar.” (Sjemot 29:16) En: „Besprenkel Aharon met wat bloed van het altaar (...) en sprenkel het ook over zijn kleren.” (Sjemot 29:21) In Wajikra/Leviticus 17:11-14 lezen we: „Want in het bloed is de levenskracht van een levend wezen. Ik heb het jullie gegeven om er op het altaar de verzoeningsrite mee te voltrekken, want bloed kan, als levenskracht, verzoening bewerkstelligen.”

Het beginsel van het leven (nefesj, red.) is, volgens de Jisraëlitische manier van denken, te vinden in het bloed. Het bevat de essentie van het leven zelf. Daarom wordt het nuttigen ervan als weerzinwekkend beschouwd, en het laten vloeien [het nemen van een leven door moord, red.] ervan als een ernstige misdaad. De levenskracht in het bloed is het wonderbaarlijke ingrediënt dat levende wezens in staat stelt de ogen te openen en met de wereld in contact te treden; vandaar dat het speciale aandacht krijgt in het systeem van offergaven. Het wordt op het altaar gespat, op de zijkanten gewreven, gedruppeld op de gordijnen, gesprenkeld op de priesters. Dat is het wezen van de offers. De God van Leven wordt niet geëerd met de dood van een dier, maar met het offeren van zijn levensbeginsel (nefesj, red.).

Met gebeden (die het offer hebben vervangen sinds er geen offers meer kunnen worden gebracht, red.) offeren wij, vervuld van ontzag, onze waardering voor het wonderbaarlijke geschenk van het leven, voor het geheim van het leven dat door ons heen stroomt in ons bloed. Ik geloof dat al dat spatten, wrijven, druppelen en sprenkelen, hoe huiveringwekkend het ook lijkt, als we erover nadenken, eigenlijk een poging was het bloed open te breken en het levensbeginsel eruit te bevrijden. Net zoals wij een takje munt wrijven om er een aangename geur uit te laten komen, zo wreven en spatten Jisraëlieten in de Oudheid het bloed, om uiting te geven aan hun verlangen dat levensbeginsel weer te verbinden met zijn eeuwige bron.

In Studies in Cultic Theology and Terminology (uitg. E. J. Brill, Leiden, 1983, blz. 112), schreef Jacob Milgrom: „Tot op de dag van vandaag is voor de vrome Jood het nuttigen van voedsel een eredienst: er wordt een lofzegging uitgesproken voor de maaltijd en een dankgebed erna, om ons te herinneren aan de oorsprong van ons voedsel. De zegening wordt voorafgegaan door het ritueel wassen van de handen, dat het ritueel van de priesters in de Tempel, voordat zij offers brachten, in herinnering brengt. Zout wordt gesprenkeld op het brood dat we gaan eten, net zoals het op het offer werd gestrooid; het mes wordt afgedekt gedurende het uitspreken van het dankgebed omdat het een dodelijk wapen is, dat niet werd toegestaan op het altaar. En tijdens de maaltijd moet het gesprek woorden uit de Tora bevatten, net als in een eredienst. Zoals Rabbi Simeon zei: „Als er drie aan een tafel hebben gegeten en er is geen woord uit de Tora gesproken, dan is het alsof zij de offergaven aan dode afgoden hebben gegeten.” De dagelijkse maaltijd werd dus getransformeerd tot een heilig ritueel; het gewone tot het buitengewone; het seculiere geheiligd; het dierlijke verlangen gesublimeerd tot een ethische discipline.”

Het brengen van offers was een essentiële stap in de ethisch-spirituele ontwikkeling van het Jodendom, waarbij in de gebeden, het studeren en het handelen de diepte doorklinkt van de  duizenden jaren waarin gestreefd wordt naar verbinding met het goddelijke.

Terug naar boven