WUPJlogo 

Torah from Around the World
__________________________________________________________

Bitja, de dochter van Farao, had last van een ernstige huidziekte en kon niet baden in heet water. Ze ging baden in de rivier en zag het huilende kind. Ze strekte haar hand uit en pakte hem vast, en ze was genezen. Ze zei: „Dit kind is een rechtvaardige, en ik zal zijn leven redden.” Wie het leven van één enkel persoon redt, is als had hij de hele wereld gered. Daarom was zij waardig het leven in deze wereld en het leven in de komende wereld te beërven.

Rabbi Eliëzer

 _______________________________________________________________

Indien u ons wilt steunen en ook in staat wilt stellen deze commentaren te verzorgen met een gift die aftrekbaar is voor de belasting, klik dan hier

Alvast onze dank.

_______________________________________________________________
    

Sjabbat 7 april 2018 / 22 Niesan 5778, 8e dag Pesach, Dewariem/Deuteronomium 14:22 – 16:17

     Tanach blz. 381-385

uit het tweede Sefer: Bemidbar/Numeri 28:19-25

     Tanach blz. 329

Haftara: Jesjaja 10:32-12:6

    Tanach blz. 819-821

(In Israël en in de Liberaal-Joodse gemeenschap in de diaspora wordt zeven dagen Pesach gehouden. Pesach is dus voorbij. Op deze Sjabbat wordt dit jaar daarom Sjemini gelezen; het tweede commentaar).

Commentaar: Rabbijn Neal Joseph Loevinger. Hij is directeur van het Spiritual Care Services van het  Vassar Brothers Medical Center, New York,  de Verenigde Staten. Eerder was hij rabbijn van joodse gemeenten in Canada.

vertaler: Tamarah Benima

Het Engelse origineel 

__________________________________________________ 

Haast brengt verandering

Er is een oud gezegde over het spreken in het openbaar: ‘Vertel ze wat je ze gaat vertellen, vertel het ze, en vertel ze dan wat je ze hebt verteld’. Het herhalen van de belangrijkste boodschap die je wilt overbrengen is geen mystiek principe en het maakt duidelijk waarom dit Toragedeelte wordt geciteerd aan het einde van de drie landbouwfeesten: Pesach, Sjawoe’ot en Soekot. Tot de lezing uit de Tora hoort ook Dewariem/Deuteronomium 16, een hoofdstuk dat de essentie weergeeft, wat betreft naleving en betekenis, van elk feest.

Met betrekking tot Pesach herinnert Dewariem ons eraan waarom we matza eten, het ‘brood der ellende’. „(…) je zult daarbij niets dat gegist is eten, zeven dagen zul je daarbij ongegist brood eten, brood der ellende, want in haast ben je vertrokken uit het land Egypte; opdat je je de dag van uw wegtrekken uit het land Egypte zult herinneren, al je levensdagen” (Dewariem 16:3).

Tot zover niets aan de hand: in dit vers is de matza het symbool van het wegtrekken uit Egypte in haast. Toch roept het een vraag op: als de matza het symbool van het in haast wegtrekken uit Egypte is, waarom wordt het dan lechem oni, ‘brood der ellende’ genoemd? Is het wegtrekken uit slavernij in haast geen wonder en mirakel? Onze vriend Rasji, de grote middeleeuwse wijze, geeft als mogelijkheid dat de ‘haast’ in het geciteerde bijbelvers niet slaat op de Israëlieten, maar op de Egyptenaren. Als je het zo leest, was de Exodus een grote zegen, maar de reden waarom Israël zich haastte, was dat het Egyptische leger in volle vaart achter hen aanzat. Daarom symboliseert de matza het vertrek uit Egypte (goed), maar de snelheid van het vertrek herinnert ons aan de krachten van onderdrukking, daarom is de matza ‘brood der ellende’.

Eerder in het boek Sjemot/Exodus wordt de matza op een andere wijze beschreven, en dat roept eveneens een vraag op. „En zij bakten het deeg, dat zij meegevoerd hadden uit Egypte, tot ongegiste koeken, want het was niet gegist; want verdreven werden zij uit Egypte en zij konden niet dralen en ook teerkost hadden zij niet bereid.”

Het beeld in deze verzen is zeer vertrouwd vanwege de vertelling van het verhaal op de eerste avond van Pesach: het joodse volk moet Egypte zo snel verlaten dat het geen tijd had om voorbereidingen te treffen, zodat ze hun kneedschalen grepen en zo snel ze konden de vrijheid zochten. Dat is een aangrijpende scene in de dramatische Uittocht, maar als we terugkeren naar Sjemot 12 ontdekken we dat Mosjé het volk twee weken eerder heeft verteld dat de uiteindelijke plaag er aan zou komen, en dat zij zich op het aanstaande wonder moesten voorbereiden.

Dus als het volk twee weken eerder verteld is om voorbereidingen te treffen, waarom hebben ze dan geen brood of andere leefkost klaargemaakt? Rasji verschaft opnieuw een verklaring die behulpzaam is: het vers vertelt ons inderdaad dat het volk zich niet voorbereidde zodat het volk kan worden geprezen: zij wierpen niet tegen dat ze niet klaar waren, maar „geloofden in God en gingen”. Let op, de beide opmerkingen van Rasji over deze verzen kunnen tezamen worden gelezen: de Israëlieten wisten dat de Uittocht eraan kwam, ze vertrouwden op de goddelijke belofte van vrijheid, maar zij verlieten het land in haast toen het Egyptische leger hen in volle galop achterna kwam.

Rasji’s commentaar over de betekenis van matza verwijst naar een waarheid die geldt voor de mens: verandering wordt ons vaak door de omstandigheden opgedrongen, zelfs als we weten dat die gaat komen. Dat is waar voor ieder terrein van het menselijk leven, religie, economie, milieu, politiek en gezondheid (persoonlijk en qua organisatie) incluis. We weten, met ons verstand, dat dingen niet verder kunnen gaan zoals ze altijd zijn gegaan, maar vaak veranderen we onze gewoonten pas als we geen andere keus meer hebben. Dat gebrek aan keuze komt vaak sneller dan we ons kunnen indenken, soms zelfs plotseling. In een ziekenhuis zien we vaak patiënten die pas na een medische crisis hun leed op spiritueel, relationeel of moreel vlak onder ogen zien. Je vraagt je dan verwonderd af: wisten zij niet wat er te gebeuren stond? Over mensen die dit opmaken van de rekening uit de weg gaan, kan men gemakkelijk een negatief oordeel vellen, maar als pastoraal werker ben ik gaan inzien dat het eenvoudig niet tot de aard van de mens hoort om ‘de Zee’ over te steken vóórdat het leger van de farao je tot aan de oever heeft gedreven.

We gaan ons pas haasten als het moet, omdat het voor ons mensen vaak te moeilijk, zo niet onmogelijk is, om ons voor te bereiden op dat wat we ons gewoonweg niet kunnen voorstellen. Maar één week per jaar verschijnt de matza om ons eraan te herinneren dat we alles hebben dat we voor de tocht nodig hebben. Soms, zoals Rasji ons in herinnering brengt, is vertrouwen op God en gaan, het enige dat we kunnen doen; waarbij we onszelf en elkaar onze zwakheden en onvolkomenheden vergeven. Vandaar dat matza niet alleen lechem oni is, het brood der ellende, maar ook het symbool van onze waardevolle menselijkheid: die is onvolkomen, maar dat is meer dan voldoende. En daaruit kunnen we vreugde scheppen.

Terug naar boven