WUPJlogo 

Torah from Around the World
__________________________________________________________

Bitja, de dochter van Farao, had last van een ernstige huidziekte en kon niet baden in heet water. Ze ging baden in de rivier en zag het huilende kind. Ze strekte haar hand uit en pakte hem vast, en ze was genezen. Ze zei: „Dit kind is een rechtvaardige, en ik zal zijn leven redden.” Wie het leven van één enkel persoon redt, is als had hij de hele wereld gered. Daarom was zij waardig het leven in deze wereld en het leven in de komende wereld te beërven.

Rabbi Eliëzer

 _______________________________________________________________

Indien u ons wilt steunen en ook in staat wilt stellen deze commentaren te verzorgen met een gift die aftrekbaar is voor de belasting, klik dan hier

Alvast onze dank.

_______________________________________________________________
    

Sjabbat 31 maart 2018 / 15 Niesan 5778, eerste dag Pesach, Sjemot/Exodus 12:21 - 51

     Tanach blz. 131 - 134

uit het tweede Sefer: Wajikra/Exodus 23:1-8

     Tanach blz. 245

Haftara: Jesjaja 43:9  - 15

    Tanach blz. 1114 - 1115

Commentaar: Rabbijn Arnold Eisen, directeur van het Jewish Theological Seminarium, het opleidingsinstituut voor rabbijnen, chazzaniem en leraren van de Conservatieve Beweging, New York, de Verenigde Staten

vertaler: Tamarah Benima

Het Engelse origineel 

__________________________________________________ 

 

De vijfde vraag

 

Dit jaar kun je, naast de vier gebruikelijke vragen, een vijfde vraag stellen die waarschijnlijk een discussie uitlokt over de betekenis van Pesach. ‘Waarom brengen we ons alle andere avonden (en dagen) de Uittocht uit Egypte in herinnering, maar vertelt de haggada op deze avond, die gewijd is aan het vertellen van dat verhaal, heel weinig over wat er daadwerkelijk gebeurde tijdens de Exodus, en ook niet hoe die plaatsvond?’

Denk bijvoorbeeld aan de tekst waarmee we de seider beginnen. Je zou verwachten bladzijde na bladzijde het bijbelse voorschrift om het verhaal van de Uittocht uit Egypte te vertellen, te vinden. Je vindt helemaal aan het begin van de haggada dat iedereen die in de loop van de avond het verhaal uitgebreid vertelt, moet worden geprezen. Daarna vind je echter een presentatie van de tocht van de Israëlieten van slavernij naar vrijheid die onsamenhangend is, geen details geeft en bij tijd en wijle moeilijk te volgen is. Mosjé, van wie je zou veronderstellen dat hij een belangrijke rol in de vertelling zou spelen, wordt zelfs niet een keer genoemd. De naam van farao slechts vier keer, in mijn telling, waarvan drie keer in een bijbels citaat. Maar het derde personage in het drama – God – is beslist overal in de haggada aanwezig. Het lijkt erop dat de auteurs en de redacteuren van de haggada in al die eeuwen dat laatste punt wilden maken.

Laten we kijken naar het verhaal dat zij ons hebben gegeven, en onderzoeken welke lessen zij ons hebben willen leren en onszelf nog twee andere vragen stellen:

  • Hoe denken we dat het verhaal moet worden verteld?
  • Welke lessen heeft het verhaal voor jou en mij, hier en nu?

De traditionele tekst van de haggada wil ons vóór alles twee dingen duidelijk maken over de Exodus; zij zijn te vinden in twee antwoorden in het Ma Nisjtana (een lied aan het begin van de seider, red.):

Een: wij waren slaven in Egypte – en God heeft ons verlost (met wonderen en plagen).

Twee: vóór (de Openbaring op, red.) Sinaï zaten we diep in de afgoderij – en God heeft ons ook daarvan bevrijd.

De les: we moeten onszelf beschouwen alsof wijzelf uit Egypte zijn weggegaan, en God loven voor het bevrijden van onze voorouders en van ons. God houdt Zich aan Zijn beloften – toen, nu, en in de toekomst.

Dat is waar de matze en de maror (het bittere kruid) ons aan moeten herinneren. Dat is waarom we de tien plagen één voor één noemen. Dat is waarom de midrasj ons leert dat het feitelijk om zestig plagen, of zelfs om 240 plagen ging, en dat is waarom we Dajenoe zingen. En dat is waarom de rabbijnen de hele haggada hebben opgebouwd rond de verzen (Dewariem/Deuteronomium 26:5-8),  die de Israëlieten in de Oudheid moesten zeggen als zij de eerste vruchten van het land als offer naar de Tempel brachten, in het Land Israël. Dat brengen van de eerste vruchten getuigde ervan dat God Zijn beloften had gehouden, en dat ook zij hun beloften nakwamen.

In de oorspronkelijke opzet van de haggada van de Misjna is de sleutel tot het hele verhaal de dubbele gang - politiek en spiritueel - van ‘vernedering’ tot ‘lofprijzing’. De traditionele haggada gaat op die schetsmatige opzet verder, maar niet al te veel. Hij probeert ons geen details te geven, laat staan geschiedenis. Als de rabbijnen voor geschiedenis zouden hebben gekozen, zou onze trouw aan deze feestdag al lang gegijzeld zijn geworden door de laatste archeologische ontdekkingen over wat ‘werkelijk’ heeft plaatsgehad. Als zij ons details zouden hebben gegeven in plaats van een raamwerk, dan hadden zij de seider wellicht laten verworden tot een routineuze  recitatie van een script in plaats van een levendige discussie over wat de Exodus voor ons betekent.

Bovendien, als de haggada geen notities zou bevatten over de manier waarop onze voorouders dit feest vierden – eerst in de Tempel en daarna (nadat de Tempel was vernietigd) in Bné Berak – en ervoor hadden gezorgd dat wij in hun voetsporen zouden volgen door hetzelfde voedsel te eten, dezelfde symbolen op tafel zouden zetten en dezelfde sleutelwoorden zouden uitspreken, dan zouden wij niet doordrongen zijn geraakt van de verantwoordelijkheid om deze traditie in stand te houden, en van de noodzaak de lessen ervan toe te passen op onze generatie.

Als brug naar de vraag hoe we het verhaal moeten vertellen, en welke lessen we eruit kunnen trekken, kun je drie suggesties gebruiken die de filosoof Michael Walzer aandraagt in zijn voortreffelijke boek Exodus and Revolution:

„Waar je ook woont, het is waarschijnlijk Egypte”;

„(…) er is een betere plek, een wereld die veel aantrekkelijker is, een beloofd land”;

(…) „de weg naar dat land voert door de wildernis”. Je kunt er slechts komen door samen op te trekken.

Walzer formuleert deze lessen op zo’n manier dat hun universele betekenis maximaal wordt. In zijn boek beargumenteert hij dat het Pesach-verhaal een grotere invloed heeft uitgeoefend op de vele manifestaties van de strijd voor vrijheid in de geschiedenis en in de wereld, dan welk ander verhaal ook. 

Ik zou het verhaal van Pesach dit jaar en zijn lessen op deze manier vertellen:

Een: We zijn vreemdelingen in het Land Egypte – een machteloze minderheid van immigranten, vervolgd tot slavernij erop volgde – en we zijn bevrijd met Gods hulp. Dat plaatst ons in de positie dat we vreemdelingen in ons midden moeten helpen, en hun tocht naar verlossing moeten ondersteunen.

Twee: We waren ooit toegewijd aan valse goden van eigen makelij – en we werden ook van die verkeerde handelwijze verlost met Gods hulp; ons werd duidelijk gemaakt dat we zijn geschapen naar het evenbeeld van God, en dat we zijn uitgerust met het vermogen en de plicht om andere mede-wezens op aarde te beschermen.

Kort gezegd: Dit jaar zijn we slaven, volgend jaar zijn we vrij, en indien niet volgend jaar, dan het jaar daarna.

Er zijn velerlei manieren om verslaafd te zijn, in lichaam en geest. Een teken dat we vrij zijn, het beste bewijs dat er is, is dat we anderen helpen om zich te bevrijden van datgene waaraan zij zijn verslaafd. Maar het punt dat de haggada maakt is dat we niet alleen moeten nadenken over wat het betekent om verslaafd of vrij te zijn, maar om ons te richten op wat het woord wij betekent. „Dit jaar zijn wij slaven” betekent iets wezenlijks als ‘wij’ niet alleen degenen die rond de tafel zitten omvat, maar de grotere groep familie en vrienden die niet bij ons kunnen zijn voor de seider, of de lokale joodse gemeenschap, of zelfs het joodse volk als geheel. Stel dat ‘wij’ ook de buren insluit die we niet werkelijk kennen, de mensen op straat of een paar kilometer verder weg, mede-bewoners van dit continent, of mede-bewoners (en rentmeesters) van de planeet. Als jij en ik ‘hen’ eenmaal in het zicht hebben en hun roep om hulp horen, kom je gemakkelijk tot de conclusie dat wij ook slaven zijn dit jaar, en harder moeten werken om, samen, vrij te worden.

Jij en ik zijn onontbeerlijk voor deze poging. En dat geldt ook, op een wijze die veel moeilijker is te begrijpen, voor God. Onze poging is absoluut noodzakelijk maar, helaas, het zal niet voldoende zijn. Het Pesachverhaal benadrukt keer op keer dat God Israël uit Egypte heeft geleid „met een sterke hand en een uitgestrekte arm” – voor iedereen zichtbaar, direct, zonder tussenpersonen of boodschappers. (Vandaar misschien dat Mosjé in de vertelling ontbreekt). Maar een maand vóór Pesach vieren Joden Poeriem, en de figuur die opvallend genoeg ontbreekt in de tekst die we op die dag lezen is God, die nergens in het boek Esther verschijnt en (tenzij God actief was achter de schermen) geen rol speelt in de verlossing van de farao uit die tijd, Haman. De combinatie van de twee verlossingsverhalen klopt met onze ervaring, is mijn overtuiging, op een manier die niet geldt voor het ene of het andere verhaal. De Eeuwige blijft werken op mysterieuze wijzen.

Ik lees wat de haggada zegt, met hulp van de megilla (boek Esther, red.) als volgt: Doe het werk dat je moet doen. Dank God dat hij jou de lichamelijke en spirituele hulpmiddelen heeft gegeven om dat werk te doen. Dank God door mee te helpen aan de poging om andere mensen – die, net als jij, Gods beeltenis dragen - te bevrijden uit slavernij.

En wanhoop niet als de verlossing waaraan je hebt gewerkt, en de hulp die je van anderen verwachtte, niet kwam. Dit jaar zijn we hier. Volgend jaar zullen we in een heiliger plaats zijn, genaamd Jeruzalem.

Moge je een levendige seider meemaken, en moge jouw chag zoet zijn.

Terug naar boven