Torah from Around the World



Eén munt in een fles maakt een rinkelend geluid; een fles vol met munten maakt geen geluid; de geleerde die de zoon is van een geleerde is dus bescheiden; de geleerde die de zoon is van een am ha’aretz (een ongeletterde) schettert zijn kennis in het rond. (Bab.M. 85b)


Indien u ons wilt steunen en ook in staat wilt stellen deze commentaren te verzorgen met een gift die aftrekbaar is voor de belasting, klik dan hier

Alvast onze dank.
_______________________________________________________________

Vrijdag  29 april 2016 / 21 niesan, 7e dag Pesach en Sjabbat 30 april/22 niesan, 8e dag Pesach

Sjemot/Exodus 14:5-15:21, Dewariem/Deuteronomium 4:32-37

    Tanach, blz. 136-140, 360

Haftara 7e dag Pesach: Jesjaja 11:1-10, 12:1-6

    Tanach, blz. 819-821

Commentaar: rabbijn Ephraim Pelcovits, assistent decaan van de Ziegler School voor Rabbijnenstudies, Bel-Air, Californië, Verenigde Staten

Oorspronkelijke Engelse tekst

_____________________________________________________ 

Een man van oorlog?! 

Afgelopen week was er sprake van een van die perfecte momenten in het leven van een leraar. De passage uit de Talmoed die we bestudeerden was echt moeilijk, maar mijn studenten hadden er hard op gestudeerd voordat ze naar de les kwamen, dus we gingen meteen goed van start. We worstelden om alle onderdelen van deze ingewikkelde passage op hun plek te krijgen, en toen de moeilijke pagina ons eindelijk duidelijk was, zag ik dat de eigenlijke lesduur met meer dan vijftien minuten was overschreden. Het was een van die bijzondere momenten waarop het leek dat de tijd – tenminste voor mij als leraar – had stil gestaan.

Ik kreeg een idee hoe het moet zijn geweest tijdens die fameuze ‘bijeenkomst van de wijzen in Bné Barak’, die we elk jaar tijdens onze seiders in herinnering brengen. Je weet wel: het verhaal over vijf rabbijnen „die de hele avond het verhaal van de Uittocht uit Egypte aan het vertellen waren, tot hun studenten kwamen en tegen hen zeiden: ‘Meesters, de tijd voor het Sjema van het ochtendgebed is aangebroken!'” Als het verhaal ons werkelijk bij de kladden heeft, of het nu gaat om een opwindende film of om een goed geleide seider, dan kunnen we onszelf verliezen in de vertelling.

Maar dat is ontegenzeggelijk moeilijk om na te volgen! Hoe kunnen deze laatste dagen van Pesach eindigen op een manier die klopt met het begin van het feest en met het grote verhaal in de haggada? En toch is ook nu er een schitterend verhaal te vertellen: volgens onze traditie vond het splijten van de Rietzee en de uiteindelijke verlossing van onze voorouders van het juk van de Farao plaats op de zevende dag van Pesach. Het is een verhaal dat zowel onze volledige verlossing in herinnering brengt als de totale vernietiging van Egypte wanneer de zee een heel leger opslokt, op hetzelfde moment als onze voorouders erin slagen het droge land te bereiken.

Het splijten van de Rietzee is beslist een aangrijpend verhaal, maar het is ook een vertelling die net zo veel vragen oproept als de haggada. Hoe kunnen we greep krijgen op het Goddelijke in dit verhaal, op een God die zowel op een en hetzelfde moment diepgaand beschermend is als verschrikkelijk wraakzuchtig? Je zou kunnen denken dat dit soort zorgelijke overwegingen vooral modern zijn, maar ze hielden in feite lang vóór ons de middeleeuwse commentatoren bezig. Wat ze vooral verontrustte was een van de eerste verzen van het Lied bij de Zee, het danklied dat onze voorouders zongen aan de veilige kant van de Rietzee, een lied dat we op vrijdag zullen horen tijdens de Tora-voorlezing, als eerbetoon aan het Feest:

„Y-H-W-H is een man van oorlog, Y-H-W-H is zijn naam.” (Sjemot/Exodus 15:3)

Voor de lezer van Tora die op de hoogte is van de traditie is dit vers in het bijzonder vreemd vanwege de keuze om met het gebruik van Y-H-W-H naar de ‘God als strijder’ te verwijzen – een naam die bij uitstek wordt geassocieerd met Gods aspect van barmhartigheid, niet met Gods aspect van het uitdelen van een rechtsvonnis. Hoe kan de naam van God worden gebruikt als het Goddelijke wordt beschreven als ‘een man van oorlog’, en nadat het hele Egyptische leger uit de Oudheid net vernietigd is onder een muur van water?

Soforno, de grote zestiende eeuwse Italiaanse commentator legt er de nadruk op dat er op dat moment wel degelijk sprake is van een God van barmhartigheid. Volgens Soforno, toont God hier medelijden en compassie door het meest kwade en destructieve volk van de aarde te verwijderen. „Ja,” luidt zijn argument, „we denken niet over oorlog als een zaak van barmhartigheid, maar soms is het dat!” Wanneer een kracht die geen mededogen kent een kleine groep hulpeloze slaven wenst te vernietigen, dan is oorlog voeren om hen te verdedigen de manier waarop compassie wordt gedefinieerd, aldus Soforno. Soforno lost de moeilijkheid die het vers voor hem biedt op door zijn inzicht in wat medelijden en compassie werkelijk zijn te herdefiniëren.

Abravanel daarentegen, die de verdrijving uit Portugal aan het eind van de vijftiende eeuw overleefde, verwerpt zo’n oplossing. Hij biedt zelfs een nog radicalere interpretatie van onze passage door een nieuw leesteken in te voeren. In plaats van het vers te lezen als „Y-H-W-H is een man van oorlog, Y-H-W-H is zijn naam”, leest hij de passage als vraag: „Is Y-H-W-H een man van oorlog? (Nee), Y-H-W-H is zijn naam!” Het is nooit een teken van compassie of liefde om een strijder te zijn, benadrukt Abravanel. Om onze barmhartige God een ‘man van oorlog’ te noemen, is, volgens de leeswijze van Abravanel, ketterij. Daarom gelooft Abravanel, zelfs al viert het Lied bij de Zee het moment van verlossing, dat het ook het aan God toeschrijven van oorlogvoerende eigenschappen afwijst; compassie is waar het wat God betreft om gaat, en om niets anders.

Deze twee middeleeuwse leeswijzen van het vers kunnen dan wel radicaal verschillend zijn, maar er moet ook worden aangetekend hoeveel zij met elkaar delen. Zowel Abravanel als Soforno worstelen met de spanningen in dit vers: de manier waarop God wordt omschreven in deze verzen staat haaks op de manier waarop zij zich eerder een beeld hebben gevormd van het Goddelijke. Zij benaderen de Tora met een diep respect voor de geschiedenis van de tekst, een liefde voor zijn taal, en minstens zo belangrijk, een bereidheid om de tekst te lezen op een manier die breekt met de manier waarop dat in het verleden is gedaan. Voor de ene geleerde betekent dat dat hij het woord – compassie – anders moet interpreteren dan het eerder werd gedefinieerd, voor de ander betekent het dat hij de tekst zelf herschikt door een komma te vervangen door een vraagteken.

Tijdens de eerste dagen van Pesach komen de meesten van ons bij elkaar tijdens de seider om te proberen de diepste betekenissen van het basisverhaal van ons volk – over de Uittocht uit Egypte zoals die wordt verteld in de haggada – te achterhalen. Het is een ritueel dat ons naar huis haalt, zelfs als het erop lijkt dat we ver van onze traditie zijn afgedwaald. Nu, een week later, is mijn zegening voor jullie dat we doorgaan met het worstelen met onze heilige verhalen, de toekomst tegemoet: tijdens deze afsluitende dagen van Pesach, en nog belangrijker, tijdens de gewone weken en maanden die voor ons liggen. De grote verhalen uit onze traditie zijn vertellingen die tot doel hebben dat we ons erin verliezen en er door worden opgeslokt. Mogen we gezegend zijn met geduld, liefde en creativiteit, opdat we de droom om te worden ondergedompeld in Tora kunnen actualiseren.

Sjabbat sjalom en chag sameach. 

Terug naar boven