Torah from Around the World



Eén munt in een fles maakt een rinkelend geluid; een fles vol met munten maakt geen geluid; de geleerde die de zoon is van een geleerde is dus bescheiden; de geleerde die de zoon is van een am ha’aretz (een ongeletterde) schettert zijn kennis in het rond. (Bab.M. 85b)


Indien u ons wilt steunen en ook in staat wilt stellen deze commentaren te verzorgen met een gift die aftrekbaar is voor de belasting, klik dan hier

Alvast onze dank.
_______________________________________________________________

Sjabbat 23 april 2016 / 15 niesan, 1e dag Pesach. Sjemot/Exodus 12:21-51, Bemidbar/Numeri 28:16-25
    Tanach, blz. 131-134, blz. 329

24 april/16 niesan, 2e dag Pesach. Wajikra/Leviticus 22:26-23:44, Bemidbar/Numeri 28:16-25

    Tanach, blz. 244-248, blz. 329

Haftara 1e dag Pesach: Jesjajaa 43:9-15 of Jehosjoea 5:2-6:1, 6:27

    Tanach, blz. 872-873 of blz. 438-439; blz. 441

Haftara 2e dag Pesach: 2 Melachiem 23:1-9, 21-25

    Tanach, blz. 789-790, blz. 792

Commentaar: rabbijn Arthur Green, rector van de Rabbijnen Opleiding van Hebrew College, Boston, Verenigde Staten

Oorspronkelijke Engelse tekst

_____________________________________________________ 

Bevrijding: een heilig moment 

Op de tweede dag Pesach beginnen Joden aan een periode die sefirat ha-omer wordt genoemd (het tellen van de omer, red.), wanneer we voor iedereen zichtbaar elke dag een dag aftellen tot we tot vijftig zijn gekomen, wat afgesloten wordt met het feest van Sjawoe’ot. (Vandaar de Griekse term Pentacost, voor de vijftigste dag). Terwijl het oorspronkelijk ging om een methode om het landbouwseizoen te berekenen, heeft de rabbijnse traditie het gebruikt om een diep verband te leggen tussen deze twee feesten. Met Pesach wordt de bevrijding van de Hebreeuwse slaven uit Egypte gevierd; met Sjawoe’ot wordt het ontvangen van de Tora in herinnering gebracht, wat plaatsvond „in de derde maand” (Sjemot/Exodus 19:1) na de Exodus. We moeten vrij zijn teneinde Gods woord te kunnen ontvangen, om de verantwoordelijkheid over het vormen van „een koninkrijk van priesters en een heilig volk” (Sjemot 19:6) als vrije mensen op ons te kunnen nemen.

Dit nobele standpunt, dat de sleutel vormt voor de manier waarop de rabbijnen onze heilige geschiedenis opvatten, contrasteert met een eerdere traditie die de Uittocht zelf zag als een gebeurtenis waarbij de hand van God werd gezien (Sjemot 14:31) en waarbij Gods liefde voor Israël volledig werd geopenbaard. Volgens die zienswijze was de bevrijding uit slavernij als zodanig een heilig moment; die werd niet gezien als voorbereiding op de grote openbaring die nog komen moest. Psalm 136, bijvoorbeeld, waarin elke zinsnede besloten wordt met de weerklank „want eeuwig duurt Zijn trouw”,  „ki le’olam chasdo”, ziet de Schepping, de Exodus en de goddelijke bescherming in de wildernis, als de grote getuigenissen van Gods aanwezigheid; daarbij wordt Sinaï volledig overgeslagen. Een oude traditie uit de midrasj stelt dat „een dienstmaagd tijdens het splijten van de zee [volgend op de bevrijding uit Egypte] meer zag dan Jesaja of Ezechiël”, de grootste zieners onder de profeten. Bij de Rietzee zagen wij God zo duidelijk, vertelt een andere traditie, dat we met onze vingers wezen en uitriepen: „Dit is mijn God, en ik zal Hem verheerlijken!” (Sjemot 15:2)

Bevrijding is als zodanig heilig. De knechtschap achter je laten betekent God ontdekken, zelfs als je het niet zo zou noemen. Intens vreugdevol zijn over vrijheid is het opnieuw opeisen van het goddelijke beeld, waarvan je bent beroofd door jouw onderdrukker. Wanneer de Tora zegt (in Dewariem/Deuteronomium 26:8) dat God ons uit Egypte heeft gevoerd „met grote verschrikking”, geeft de Pesach haggada als commentaar: „Dit betekent: de openbaring van Gods aanwezigheid!”

Dit geldt ongeacht wat jouw ‘Egyptische’ knechtschap is. De bijbelse term voor Egypte is mitsrajiem, „de nauwe doorgang” (oorspronkelijk verwees dit naar de Nijldelta). Zowel in het chassidische denken als in het moderne joodse spraakgebruik, is het gaan verwijzen naar alles wat je inkapselt, je inperkt, je denken of bewustzijn knecht.  Dat kan, natuurlijk, de vorm van lichamelijke slavernij aannemen; de beschrijving van Israëls slavernij wordt met krachtige streken geschilderd: de Egyptische opzichters slaan de slaven en doden ze zelfs. Dit soort slavernij is nog wijdverbreid in onze wereld, waarbij men moet denken aan seksuele slavernij, de verschrikkingen van de aanvallen van ISIS op niet-moslim bevolkingen, kinderarbeid in zowel fabrieken als op zee, en zo verder. Onze herinnering aan Egypte maakt dat we daartegen opkomen en om gerechtigheid schreeuwen tegen deze moderne vormen van slavernij.

Maar slavernij heeft vele gezichten. In Amerika zijn wij ervan doordrongen geraakt dat de slavernij van onze Afrikaans-Amerikaanse broeders en zusters niet eindigde in 1865. De wetten van Jim Crow, de achterstelling op economisch gebied en in het onderwijs, en de stereotype beelden waren alle onderdeel van de voortdurende erfenis van de slavernij – en er zijn nog meer uitingen daarvan. Miljoenen Amerikanen van elk ras en religie zijn de slaaf van verslaving; zij kunnen niet volledig zichzelf zijn en hun diepste zelf niet tot uitdrukking brengen vanwege de afhankelijkheid van drugs, alkohol en andere middelen die hun leven beheersen. Meer subtiele vormen van verslaving zijn de onophoudelijke behoefte aan goedkeuring, aan succes, aan topprestaties – ook deze kunnen ‘nauwe doorgangen’ worden, en ons er van afhouden om vrij te zijn. Zelfs religie kan, als zij wordt opgelegd of op een beperkende en benauwende manier wordt uitgelegd, functioneren als een vorm van verslaving.

Wat is onze joodse boodschap voor diegenen die worstelen om vrijheid te verwerven (waarmee de meesten van ons, natuurlijk, worden bedoeld)? Is het: „Jouw bevrijding is slechts de eerste stap op een lange weg. Nu moet jij de verantwoordelijkheid nemen, jezelf disciplineren en een nieuw leven scheppen”? Dat zou de boodschap zijn van de opvatting dat het vertrek uit Egypte slechts een voorbereiding was op het Verbond van Sinaï. Of is het: „Verheug je! Vier jouw vrijheid! Vind God op dit moment!”

Het antwoord is, natuurlijk: ‘Ja. Zij zijn beide waar.’ Elk heeft zijn functie in het zich ontwikkelende leven van zowel individuen als gemeenschappen. Maar we hebben een veel grotere kans om nieuwe verbonden te laten ontstaan en om onze levens opnieuw vorm te geven als we het proces van bevrijding zelf op weg proberen te helpen en als we deel hebben aan de vreugde van dat moment. Degenen die zich afzijdig houden en zeggen hoe teleurgesteld zij zijn in de mensen die zich pas hebben bevrijd, of in degenen die nog worstelen - omdat zij er nog niet helemaal in geslaagd zijn om een nieuw en juist levens te leiden zoals  wij vinden dat ze ze zouden moet leiden- , slaan de plank mis. „Herinner je dat jullie slaven waren in het Land Egypte” – deze grote boodschap van de Tora en van Pesach zou de band moeten vormen tussen ons en al diegenen die voor vrijheid vechten. Deze boodschap zou ons ertoe moeten brengen om met hen de grote en heilige vreugde te vieren op het moment dat zij die vrijheid vinden. En hij moet ons verbinden met al die aspecten van en in onszelf die zowel de strijd aangaan als de vreugde vieren tijdens het proces van bevrijding. 

Terug naar boven