TASTE OF

LIMMUD
       
      Tora is de ziel in het lichaam van de joodse gemeenschap;
eenieder die kennis wil nemen van Tora is welkom met ons te leren.
________________________________________________________

Sjabbat 26 september 2009 / 8 tisjri 5770
Sidra Haäzinoe, Devariem [Deut.] 32:1-32:52
   (Tanach blz. 416-422)
Haftara voor Sjabbat Sjoewa: Hosjea 14:2-10, Micha 7:18-20
   (Tanach blz. 1157-1158, 1193)

Vertaling: Ted Musaph-Andriesse

Voor het origineel zie
www.limmud.org/publications/tasteoflimmud/5768/Haazinu
________________________________________________________
Deze publicatie en het werk van het instituut zijn alleen mogelijk dankzij uw steun. Uw bijdrage is welkom op bankrekening 40.03.78 213 t.n.v. Stichting Robert A. Levisson te Amsterdam onder vermelding van Gift Toracommentaar. Alvast bedankt.
________________________________________________________

HAÄZINOE

Haäzinoe is het afscheidslied van Mosjee aan de Jisraëlieten. Hij spreekt hierin over hun status als het door God uitverkoren volk en wat de gevolgen zullen zijn als we vergeten dat we van Hem afhankelijk zijn. Mosjee legt de nadruk er op dat het volk goed zal leven in het land Israel mits men zich aan het woord van God houdt. Mosjee krijgt van God te horen dat hij weldra zal sterven; hij zal het beloofde land wel mogen zien, maar hij mag er niet in trekken.

Haäzinoe – Hillel Athias-Robles
Hillel is 28 jaar, afkomstig uit Costa Rica en rabbijn van de de Northwood en Pinner Liberal Synagoge in Noord Londen. Oorspronkelijk was hij een charedi rabbijn, maar na een lange zwerftocht belandde hij bij de Engelse Liberaal-Joodse gemeenschap. Hillel heeft zich al jaren verdiept in joodse teksten en houdt ervan een beetje peper in de uitleg te doen.
 
"Leen mij uw oor, hemel, nu ik ga spreken,
luister, aarde, naar wat ik zeggen zal.
Moge mijn onderricht neerdalen als regen,
moge mijn woorden zijn als milde dauw,
als regen die de grond doordrenkt,
lenteregen die het groen in bloei zet.
Want de naam van de Eeuwige roep ik uit;
De Eeuwige is onze God,
laat iedereen hem prijzen.” (Devariem 32:1-3)
 
Deze sidra uit Devariem is een gedicht. De Tora gebruikt het woord sjira, dat en gedicht en lied kan betekenen. Om het poëtische karakter te benadrukken, vereist de Talmoed dat het in de Tora in twee gescheiden maar parallelle kolommen moet worden geschreven met een brede spatie ertussen (Sjabbat 103b). De taal is prachtig en er worden speciale uitdrukkingen gebruikt die elders in de Tora niet voorkomen. Om al deze redenen wordt dit gedicht ook het Lied van Mosjee genoemd. 
 
Dit is niet het enige lied in de Tora dat aan Mosjee wordt toegeschreven. Nadat de Jisraëlieten van het hen achtervolgende Egyptische leger is gered bij de Rode Zee, zingt Mosjee met het volk een speciaal lied om God te danken voor zijn redding. Dit Sjirat haJam -het Lied van de Zee- markeert op de een of andere manier het begin van het leiderschap van Mosjee en zijn inspirerende rol. Bij het pogen het volk van de slavernij te bevrijden, was het zijn grootste zorg de Jisraëlieten te vrijwaren voor gevaar en onderdrukking. Het Lied van de Zee is het begin van de volkswording en het leiderschap van Mosjee. Dit tweede lied, het Lied van Mosjee, geeft het hoogtepunt weer van zijn leven als de betrouwbare hoeder van zijn volk. De meest cruciale ogenblikken van zijn leven worden gemarkeerd door gedichten, met recht een lyrisch leven.
 
Het verhaal wil dat het Lied van Mosjee gezongen werd toen de Jisraëlieten hun kampement hadden opgeslagen op het plateau van de berg Moav, ten oosten van Jericho aan de overkant van de Jordaan. Ze stonden op het punt het Beloofde Land binnen te trekken. Mosjee wist dat hij het niet zou beleven Kenaän binnen te gaan en dat zijn stervensuur naderde. Zijn rol als leider van Jisraël werd beperkt tot de zwangerschapsperiode van het volk, maar nu het volk de geboorteweeën had doorstaan, hadden ze een nieuwe, frisse vorm van leiderschap onder Jehosjoea nodig. Voordat ze over deze drempel gingen, stond Mosjee voor ze en sprak tot het volk. Het waren persoonlijke woorden en volgens de rabbijnen kwamen ze uit het hart en drongen door tot het hart. Het belang van het Lied was dusdanig, dat het werd vastgelegd en in de Ark van het Verbond werd geplaatst, samen met de op dat moment bestaande Tora en de Stenen Tafels.
 
Ik ben van mening, dat Haäzinoe inzicht geeft in het hart van Mosjee. Aan het slot van de sidra zegt God tegen Mosjee dat hij de berg Nevo moet beklimmen om daar een blik te werpen op het Beloofde Land, waarna hij gaat sterven zonder te zijn binnen gegaan. Hem wordt de vrucht van zijn werk onthouden – een van de meest demoraliserende situaties waarin een mens kan komen te verkeren. Als de Tora de vreselijke vloeken opsomt die de Jisraëlieten zullen treffen als ze zich niet aan Gods voorschriften houden, wordt onder andere deze genoemd: “U zult een wijngaard planten, maar niet zelf van de vruchten genieten” (28:30).” Mosjee is niet in de gelegenheid de vruchten te proeven van de wijngaard waar hij 40 jaar lang zo intens voor heeft gezorgd! Hij weet ook dat zodra hij de staf van het leiderschap heeft overgedragen en zijn volk voor de poorten van Kenaän heeft gebracht, zijn leven voorbij zal zijn. En toch brengt hij ze daar!
 
Wat zouden wij doen als we wisten dat onze dood voor de deur staat? Zouden we iedere druppel vreugde uit ons leven persen tot de laatste minuut? Hoewel dat zeker een legitieme optie is, was het niet de weg die Mosjee insloeg. Hij moest een afsluiting bedenken waardoor zijn leven een erfenis voor altijd zou zijn. Haäzinoe brengt ons op de hoogte van de stappen die hij ondernam. Dit waren zijn laatste woorden - hierin viert hij de grootheid van de Jisraëlieten en hun tekortkomingen. Hij onthult nauwkeurig de diepte van hun relatie. Door dit gedicht tracht hij zijn laatste ethische les te geven, die de Jisraëlieten mee moeten nemen naar het Beloofde Land.
 
Als ik Haäzinoe lees zoals het in de Tora geschreven staat , in twee rechte kolommen, dan komt me dit voor als twee recht opstaande pilaren. Dit waren de peilers die het volk moesten ondersteunen tijdens hun nieuwe strijd in Kenaän, de fundamenten voor hun geestelijke reis.
 
De meesten van ons kennen niet de luxe van Mosjee. Wie van ons weet wanneer hij zal sterven? De wijzen in Pirkee Avot (2:10) zeggen: “Doe tesjoewa, kom tot inkeer één dag voor je overlijden.” R. Eliëzer waarschuwt ons in deze uitspraak elke dag als de laatste te beschouwen. Dan is de keus aan ons of we besluiten ons leven zo in te richten dat het ook een eeuwigdurende erfenis zal zijn.
 
Een andere invalshoek – Jess GoldArnold Lewis
 
Zechor jemot olam,
binoe sjenot dor wador.
“Denk aan de tijden van weleer,
verdiep u in het verre verleden” (32:7)
is een regel in deze sidra die ons oproept het belang van onze opmerkelijke geschiedenis te herkennen en bij bestudering er lessen uit te trekken. Dit zijn woorden die weerklinken in de befaamde zegswijze van de filosoof Georg Santayana: ‘degenen die zich het verleden niet herinneren, zijn veroordeeld het te herhalen.’
 
De chassidische rebbe Menachem Mendel van Rimanov beschouwt het tweede deel van de regel niet slechts als een herhaling van het eerste deel in een andere bewoording, maar geeft een tweede uitleg van het woord “sjenot” (jaren van [voorgaande generaties]). Hij vertaalt het als “veranderingen van.”
 
Zijn bedoeling is, dat we zeker ons erfdeel in herinnering moeten houden en onze traditie handhaven, maar dat we ook rekening moeten houden met “de veranderingen binnen iedere generatie.” Omstandigheden en mensen veranderen voortdurend en hoewel de essentie van de Tora niet wijzigt, is die flexibel genoeg om zich te allen tijde en aan iedere plaats aangepast te worden.