WUPJlogo 

Torah from Around the World
__________________________________________________________

Wie zingt in deze wereld, zal ook in de toekomstige wereld zingen.

Talmoed Bavli, tractaat Sanhedrin

_______________________________________________________________

Indien u ons wilt steunen en ook in staat wilt stellen deze commentaren te verzorgen met een gift die aftrekbaar is voor de belasting, klik dan hier

Alvast onze dank.   

_______________________________________________________________
 

Sjabbat 22 september 2018 / 13 Tisjri 5779, Haäzinoe, Dewariem/Deuteronomium 32:1 - 52

                Tanach blz. 417 -  423

Haftara: Psalm 18:1 - 51

                Tanach blz. 1253 - 1256

vertaler: Channa Kistemaker

Commentaar: Rabbijn Jonathan Sacks, oud-opperrabbijn van het Verenigd Koninkrijk.

Het Engelse origineel 

__________________________________________________ 

 

De spirituele kracht van het lied

Met Haäzinoe beklimmen we een van de toppen van de joodse spiritualiteit. Een hele maand lang had Mosjé de mensen onderwezen. Hij had hen verteld over hun geschiedenis en hun bestemming, en over de wetten die hen tot een unieke samenleving zouden maken, aaneengeklonken door een Verbond met elkaar en met God. Hij hernieuwde het Verbond en droeg daarna het leiderschap over aan zijn leerling en opvolger Jehosjoea. Zijn laatste daad zou bestaan uit het zegenen van het volk, stam voor stam. Daarvóór moest hij echter nog één ding doen: hij moest zijn profetische boodschap samenvatten op een manier waardoor het volk zich haar altijd zou blijven herinneren en er inspiratie uit zou blijven putten. Hij besefte dat hij dat het beste kon doen door muziek te gebruiken. Daarom was het laatste wat Mosjé deed, voordat hij het volk zijn zegen gaf voordat hij stierf, hen een lied te leren.

Muziek heeft een diepe spirituele dimensie. Als taal haakt naar het transcendente en de ziel ernaar verlangt om los te breken van de zwaartekracht van de aarde, dan gaat de ziel vanzelf over in gezang. Onze joodse geschiedenis wordt doorgaans niet gelezen, maar gezongen. De rabbijnen hebben tien liederen op een rijtje gezet, die horen bij beslissende momenten in het leven van ons volk: het lied van de Jisraëlieten in Egypte (Jesjaja 30:29), het lied bij de Rietzee (Sjemot/Exodus 15), het lied bij de bron (Wajikra/Leviticus 21), en Haäzinoe, het lied van Mosjé aan het einde van zijn leven. Jehosjoea zong een lied (Jehosjoea 10:12-13). En ook Devora/Debora (Sjoftiem/Richteren 5), Channa (1 Sjmoeëel/Samuel 2) en David (2 Sjmoeëel/Samuel 22) zongen een lied. We hebben het Lied van Sjlomo, Sjier haSjieriem, waarover rabbi Akiva zei: „Alle liederen zijn heilig, maar het Hooglied is het heilige der heiligen." Het tiende lied is nog nooit gezongen: dat is het lied van de masjieach (messias).

Veel bijbelse teksten spreken over het vermogen van muziek om de ziel te helen. Toen Sjaoel neerslachtig was, speelde David voor hem en dan kwam zijn geestkracht in hem terug (1 Sjmoeëel 16). David stond bekend als de „geliefde zanger van Jisraëel” (2 Sjmoeëel 23:1). Elisja riep een harpspeler bij zich, om te zorgen dat de geest van profetie bij hem zou blijven (2 Melachiem/Koningen 3:15). De Levieten zongen in de Tempel. In het Jodendom laten wij onze dagelijkse gebeden voorafgaan door pesoeké d'zimra, verzen om te zingen, met als grootse climax psalm 150, waarin instrumenten en de menselijke stem zich met elkaar verbinden om Gods lof te zingen.

Mystici gaan nog een stap verder en hebben het over het lied van het universum, dat Pythagoras omschreef als „de harmonie der sferen”. Daarop doelt psalm 19 met: „De hemel verhaalt van Gods majesteit, het uitspansel roemt het werk van zijn handen, (...) Toch wordt er niets gezegd, geen woord gehoord, het is een spraak zonder klank.”  Achter de stilte, slechts hoorbaar voor het innerlijke oor, zingt de schepping haar Schepper toe.

Als wij bidden, lezen wij dan ook niet: dan zingen we. Wanneer wij ons bezig houden met heilige teksten, reciteren wij niet: we cantileren. Binnen het Jodendom heeft elke tekst en elke tijd zijn eigen unieke melodie. Er bestaan verschillende melodieën voor de Sjachariet, Mincha en Maäriev, de gebeden van de ochtend, de middag en de avond. Er zijn verschillende melodieën en toonsoorten voor de dagelijkse gebeden, voor die van de Sjabbat, en voor de drie pelgrimsfeesten - Pesach, Sjawoeot en Soekot. Die pelgrimsfeesten hebben muzikaal gezien veel met elkaar gemeen, maar kennen ook elk hun eigen melodieën. En er zijn melodieën en toonsoorten voor de Ontzagwekkende Dagen, Rosj Hasjana en Jom Kippoer.

Er zijn verschillende melodieën voor verschillende teksten. Er is één manier van cantileren voor de Tora, een andere voor de haftarot (gedeelten uit de zogeheten Profetenboeken), en weer een andere voor de Ketoeviem, de Geschriften, met name voor de vijf Megillot (rollen, o.a. Esther en Ruth, red.). Er is ook een speciale toon voor het bestuderen van teksten uit de mondelinge Tora: de Misjna en de Gemara. Daarom kunnen we aan de muziek alleen al herkennen wat voor dag het is en wat voor tekst we gebruiken. Joodse teksten hebben geen kleurcode, maar een ‘muziekcode’. De landkaart van onze heilige woorden is geschreven met melodieën en liederen.

Muziek heeft een buitengewoon vermogen om gevoelens op te roepen. Het Kol Nidre, waarmee wij Jom Kippoer openen, is eigenlijk helemaal geen gebed. Het is een droge juridische formule om geloften te ontbinden. Het is overduidelijk te danken aan zijn oeroude, betoverende melodie, dat het de joodse verbeelding zo lang heeft weten vast te houden. Je kunt die tonen onmogelijk horen zonder te voelen dat je voor het aangezicht van God staat, op de Dag des Oordeels, samen met Joden van heel de wereld en van alle tijden, om van de hemel vergeving af te smeken. Het is het heilige der heiligen van de joodse ziel.

Evenmin is het mogelijk om op Tisja b'Av te luisteren naar het lezen van Echa, Klaagliederen, met zijn eigen unieke cantillatie, zonder de tranen te voelen van de Joden die door de eeuwen heen hebben geleden om hun geloof, en die huilden wanneer zij herdachten wat zij verloren hadden, met een pijn die vers was als op de dag dat de Tempel werd verwoest. Woorden zonder muziek zijn als een lichaam zonder ziel.

Beethoven schreef boven het manuscript van het derde deel van zijn kwartet in A-mineur de woorden Neue Kraft fühlend, „Met een gevoel van hernieuwde kracht”. Dat is wat muziek kan uitdrukken en oproepen. Het is de taal van een gevoel dat niet verbleekt is door de vale teint van het denken. Dat bedoelde Koning David, toen hij God toezong met de woorden: „U hebt mijn klacht veranderd in een dans, mijn rouwkleed weggenomen, mij in vreugde gehuld. Mijn ziel zal voor u zingen en niet zwijgen.” Hierin voel je de kracht van de menselijke geest die zich door geen angst laat verpletteren.

In zijn boek Musicophilia vertelt Oliver Sacks (helaas, geen familie van mij) het aangrijpende verhaal van Clive Wearing, een vooraanstaande musicoloog, die getroffen werd door een verwoestende hersenaandoening. Het resultaat was een acuut geheugenverlies. Hij kon niets langer dan een paar seconden onthouden. In de woorden van zijn vrouw Deborah: „Het was alsof elk moment van ontwaken het eerste was.” Omdat hij niet in staat was om ervaringen aaneen te rijgen, zat hij opgesloten in een oneindig heden, dat op geen enkele manier verbonden was met iets wat eraan vooraf was gegaan. Op een dag trof zijn vrouw hem aan met een stuk chocola in zijn hand, dat hij telkens bedekte en weer ont-dekte met zijn andere hand, waarbij hij iedere keer zei: „Kijk, het is nieuw.” „Het is dezelfde chocola,” zei zij. „Nee,” antwoordde hij, „Kijk, het is veranderd.” Hij had totaal geen verleden.

Twee dingen doorbraken zijn isolement. Een was de liefde voor zijn vrouw. Het andere was de muziek. Hij kon nog steeds zingen, een orgel bespelen en een koor leiden, met heel zijn oude vaardigheid en met verve. Wat was er in de muziek, zo vroeg Sacks zich af, dat hem in staat stelde om, zo lang hij speelde of dirigeerde, aan het verlies van zijn geheugen te ontkomen? Hij oppert dat wij, wanneer we ons een melodie ‘herinneren’, weliswaar elke noot afzonderlijk in herinnering roepen, maar dat toch iedere noot een verbinding heeft met het geheel. Hij citeert muziekfilosoof Victor Zuckerhandl, die schreef: „Het luisteren naar een melodie is horen, gehoord hebben en gaan horen tegelijk. Elke melodie vertelt ons dat het verleden aanwezig kan zijn zonder dat je het je herinnert en de toekomst zonder dat je die vooraf kent.”  Muziek is een vorm van gevoelde continuïteit, die soms in staat is om door het meest overweldigende gebrek aan samenhang in onze beleving van tijd heen te breken.

Religie lijkt meer op muziek dan op wetenschap. Wetenschap rafelt uiteen, muziek creëert een geheel. Zoals muziek noot met noot verbindt, zo verbindt religie tijdvak met tijdvak, leven met leven, jaargang met jaargang, tot een tijdloze melodie, die inbreekt in de tijd. God maakt de partituur en het libretto. Ieder van ons wordt opgeroepen om stemmen te zijn in het koor, de zangers van het lied van God. Religie is het vermogen om de muziek achter het lawaai te horen.

Muziek is dus een teken van transcendentie. Filosoof en organist Roger Scruton schrijft dat ze een „ontmoeting met het zuivere subject” is, „vrijgemaakt uit de wereld der dingen, zich louter bewegend volgens de wetten van de vrijheid”. Dan citeert hij Rilke: „Woorden gaan nog teder het onzegbare tegemoet (…) / En de muziek bouwt, altijd nieuw, uit trillende stenen / in de onbruikbare ruimte haar goddelijk huis.” De geschiedenis van de joodse geest wordt geschreven in haar liederen.

Ooit zag ik hoe een leraar aan kleine kinderen het verschil uitlegde tussen een materieel en een spiritueel bezit. Hij liet hen een maquette van Jeruzalem bouwen. Daarna (het was nog in de dagen van de cassetterecorder) zette hij een bandje op met een lied over Jeruzalem en leerde dat aan de klas. Aan het eind van de les deed hij iets heel dramatisch: hij scheurde de maquette aan stukken en verknipte het cassettebandje. Toen vroeg hij de kinderen: „Hebben we de maquette nog?” Nee, antwoordden ze. „Hebben we het lied nog?” Daarop antwoordden ze: „Ja”.

Materiële bezittingen raken we kwijt, spirituele niet. De fysieke Mosjé hebben we niet meer, zijn lied nog wel.

 Terug naar boven

Meer artikelen...

  1. 5778
  2. 5778
  3. 5778
  4. 5778