WUPJlogo 

Torah from Around the World
__________________________________________________________

Rabbi Chanina de zoon van Chaginai zegt:

Wie nachten doorwaakt,
minacht zijn lichaam.

Wie zijn weg in afzondering wil gaan,
minacht zijn hart.

En wie zijn geest op lege zaken richt,
minacht zijn leven. (Pirke Awot 3:4)

Uit: Spreuken over de Fundamenten. Joodse wijsheid voor de mensheid.

Vertaald en ingeleid door Leo Mock & Marcel Poorthuis.

 _______________________________________________________________

Indien u ons wilt steunen en ook in staat wilt stellen deze commentaren te verzorgen met een gift die aftrekbaar is voor de belasting, klik dan hier

Alvast onze dank.   

_______________________________________________________________
 

Sjabbat 26 mei 2018 / 12 Siewan 5778, Naso, Bemidbar/Numeri 4:21 - 7:89

     Tanach blz. 270 - 282

Haftara: Sjoftiem 16:4 - 31

    Tanach blz. 522 - 525

Commentaar: Rabbijn Jonathan Sacks, emeritus opperrabbijn van het Gemenebest.

vertaler: Channa Kistemaker

Het Engelse origineel 

__________________________________________________ 

 

Twee versies van het goede leven

 

In de sidra Naso vinden we de wetten betreffende de nazireeër, een persoon die het, meestal tijdelijk, op zich nam om bepaalde regels van heiligheid en onthouding te volgen. Hij dronk geen wijn of andere psychotrope middelen (in ieder geval niets wat van druiven gemaakt was), hij liet zijn haar niet knippen en zorgde dat hij niet onrein werd door contact met de doden.

De Tora geeft geen expliciet waarde-oordeel over de nazireeër. Enerzijds noemt ze hem „heilig voor God” (Bemidbar/Numeri 6:8). Anderzijds schrijft ze voor dat de nazireeër, wanneer de periode van het nazireërschap voorbij is, een zonde-offer moet brengen (Bemidbar 6:13-14), alsof hij iets verkeerds had gedaan.

Dit heeft geleid tot een fundamenteel meningsverschil onder de rabbijnen in de tijd van de Misjna en  de Talmoed, en in de Middeleeuwen. Volgens rabbi Elazar, en later volgens Nachmanides, is de nazireeër prijzenswaardig. Hij heeft uit vrije wil gekozen voor een hoger niveau van heiligheid. De profeet Amos (Amos 2:11) zegt: „Sommigen van jullie maakte ik profeet, anderen nazireeër”, waarmee hij suggereert dat de nazireeër, net als de profeet, iemand is die God heel erg nabij is. De reden voor het zonde-offer was dat hij terugkeerde tot het normale leven. De zonde bestond in het ophouden een nazireeër te zijn.

Rabbi Eliëzer ha-Kappar en Sjmoeël huldigden het tegenovergestelde standpunt. De zonde bestond erin dat zij nazireeër werden, dat wil zeggen dat zij zichzelf sommige genoegens van de wereld die God had geschapen en waarvan Hij had gezegd dat die goed waren, ontzegden. Rabbi Eliëzer voegde daaraan toe: „Hieruit kunnen wij opmaken dat als iemand die zich het genot van de wijn ontzegt, al een zondaar wordt genoemd, dat dan nog meer geldt voor iemand die zich het genot van andere genoegens van het leven ontzegt.” (bT, Taanit 11a; Nedarim 10a)

Deze discussie gaat duidelijk niet alleen maar over een tekstueel probleem, maar om iets wezenlijks. Het gaat over ascese, over een leven van zelfverloochening. Vrijwel iedere religie kent het verschijnsel van mensen die in hun streven naar spirituele reinheid, afstand nemen van de genoegens en de verleidingen van de wereld. Ze wonen in grotten en schuilplaatsen, kloosters en kluizenarijen. De sekte van Qumran, die wij kennen door de Dode Zeerollen, was wellicht zo'n beweging.

In de Middeleeuwen waren er joden die een vergelijkbare levensstijl aannamen. Bijvoorbeeld de zogeheten 'Vromen van Asjkenaz', een piëtistische beweging in Noord-Europa, maar met ook veel joodse aanhangers in islamitische landen. Achteraf bezien moet men in hun gedrag wel een zekere invloed van de niet-joodse omgeving zien. De Vromen van Asjkenaz, die leefden in de tijd van de Kruistochten, woonden temidden van zichzelf kastijdende christenen. Hun tegenhangers in het Zuiden waren misschien bekend met het Soefisme, de mystieke beweging binnen de Islam.

De ambivalente gevoelens van joden jegens een leven van zelfverloochening vinden daarom wellicht hun oorsprong in de verdenking dat 't het jodendom van buitenaf is binnen gedrongen. In het Westen (Griekenland) en het Oosten (Iran) bestonden in de eerste eeuwen van de gewone jaartelling ascetische bewegingen, die de tastbare wereld zagen als een oord van strijd en verderf. Zij waren dualisten, die meenden dat de ware God niet de schepper van het heelal was. De tastbare wereld was het werk van een lagere, slechte godheid. De bekendste bewegingen die deze zienswijze aanhingen waren de Gnostici in het Westen en de Manicheeërs in het Oosten. Het is daarom aannemelijk dat de negatieve waardering van de nazireeër is ingegeven door het verlangen om joden ervan te weerhouden niet-joodse praktijken na te volgen.

Verwarrender is het standpunt van Maimonides, die beide zienswijzen - positief én negatief - aanhangt, in een en hetzelfde boek: zijn Misjné Tora. In het gedeelte ‘De wetten betreffende de ethische persoonlijkheid’ kiest hij voor het negatieve standpunt van rabbi Eliëzer ha-Kappar: „Iemand zou kunnen zeggen: 'Begeerte, eer en dergelijke zijn slechte wegen en ze verwijderen een mens van de wereld, daarom zal ik me daarvan ontdoen en naar het andere uiterste streven.' Daarom eet hij geen vlees en drinkt hij geen wijn en neemt hij geen vrouw en woont hij niet in een behoorlijk huis en draagt hij geen fatsoenlijke kleding (…) Dit is ook slecht en het is verboden deze weg te kiezen."

In ‘De Wetten betreffende de nazireeër’ echter geeft Maimonides een beslissing waarbij hij de positieve waardering van rabbi Elazar volgt: „Wie voor God de gelofte [om nazireeër te worden] aflegt, om heilig te zijn, doet goed en is prijzenswaardig (…) De Tanach beschouwt hem zelfs als gelijk aan een profeet.” Hoe is het mogelijk dat een schrijver ertoe komt om in een en hetzelfde boek twee tegenstrijdige meningen aan te hangen, zeker iemand die zo consequent logisch denkt als Maimonides?

Het antwoord vinden we in een van Maimonides’ meest oorspronkelijke inzichten. Hij gaat ervan uit dat er twee verschillende manieren zijn om het goede leven te leven. Hij noemt ze respectievelijk de wege van de heilige (chassied) en de weg van de wijze (chacham).

De wijze volgt de ‘gulden middenweg’. Het goede leven is een kwestie van matigheid en evenwicht, van het uitstippelen van een weg tussen te veel en te weinig. Moed ligt bijvoorbeeld halverwege tussen lafheid en roekeloosheid. Generositeit ligt tussen verkwisting en gierigheid. Dit lijkt heel veel op het concept van het goede leven zoals Aristoteles dat in zijn Ethica Nicomachea heeft uitgelegd.

De heilige daarentegen volgt niet de middenweg. Hij of zij neigt naar uitersten, vast liever dan gewoon matigheid te betrachten bij het eten, streeft liever armoede na dan een bescheiden inkomen te verwerven, enzovoort.

Maimonides legt op verschillende plaatsen in zijn werk uit waarom mensen voor uitersten zouden kunnen kiezen. Een van de redenen is tesjoeva en verandering van karakter. Iemand kan zichzelf bijvoorbeeld van hoogmoed genezen door tijdelijk extreme zelfvernedering te beoefenen. Een andere reden is de asymmetrie in de menselijke persoonlijkheid. De uitersten oefenen niet elk dezelfde aantrekkingskracht uit. Lafheid is algemener dan roekeloosheid, gierigheid komt meer voor dan overdreven vrijgevigheid, en daarom legt de chassied zijn gewicht naar de andere kant. Een derde reden zijn de verleidingen van de omringende cultuur. Die staat wellicht zo vijandig tegenover religieuze waarden, dat vrome mensen ervoor kiezen zich af te zonderen van de samenleving als geheel, „door zich te kleden in wollen of harige kleren, in de bergen te gaan wonen of door de woestijn te zwerven,” en zich door extreem gedrag te onderscheiden.

Dit is een zeer genuanceerde voorstelling van zaken. Volgens Maimonides is zelfverloochening soms therapeutisch, soms verweven met de regels van de Tora, soms een reactie op extreem hedonistische tijden. Over het algemeen leert Maimonides ons echter dat wij de opdracht hebben de gulden middenweg te bewandelen, terwijl de weg van de heilige lifniem mi-sjoerat ha-dien ligt, buiten de vereisten van de wet.

Moshe Halbertal, schrijver van een indrukwekkende studie over Maimonides, is van mening dat hij probeert de fundamentele spanning te verdoezelen die bestaat tussen het politieke ideaal van de Griekse beschaving en het spirituele ideaal van de religieuze radicalist. Voor deze laatste is, in de woorden van de Kotzker Rebbe, „de middenweg voor paarden”. In de ogen van de chassied ziet de wijze van Maimonides er waarschijnlijk uit als die van een „zelfingenomen bourgeois”.

In wezen gaat het hier om twee manieren om het goede leven te begrijpen. Ligt het doel van het goede leven in het bereiken van persoonlijke volmaaktheid? Of in het tot stand brengen van een fatsoenlijke, rechtvaardige en zorgzame samenleving? Intuïtief zullen de meeste mensen zeggen: in allebei. Daarom is Maimonides zo'n scherpzinnige denker. Hij begrijpt dat je ze niet allebei kunt nastreven. Als het erop aankomt zijn het twee verschillende ondernemingen.

Een heilige kan al zijn geld aan de armen geven. Maar hoe zit het dan met zijn eigen familieleden? Een heilige kan weigeren te vechten wanneer het oorlog is. Maar hoe zit het dan met zijn eigen land? Een heilige kan alle misdaden die jegens hem zijn begaan vergeven. Maar hoe zit het dan met het principe van wet en recht? Heiligen zijn uiterst deugdzame mensen, zolang je ze als individuen ziet. Toch kan je geen samenleving bouwen op louter heiligen. Als het erop aankomt zijn heiligen niet werkelijk geïnteresseerd in de samenleving. Hun zorg is de verlossing van de ziel.

Dit fundamentele inzicht heeft geleid tot Maimonides’ schijnbaar tegenstrijdige waarderingen van de nazireeër. De nazireeër heeft ervoor gekozen om, in ieder geval tijdelijk, een leven te leiden van extreme zelfverloochening. Hij is een heilige, een chassied. Hij heeft gekozen voor de weg van persoonlijke vervolmaking. Dat is nobel, voorbeeldig en aanbevelenswaardig.

Het is echter niet de weg van de wijze - en wijzen heb je nodig als je de samenleving wilt vervolmaken. De wijze is geen extremist, omdat hij of zij inziet dat er andere mensen in het spel zijn. Zo zijn er de eigen familieleden en de anderen in de eigen gemeenschap. Zo is er een land om te verdedigen en een economie om draaiende te houden. De wijze weet dat hij of zij al die verbintenissen niet in de steek kan laten om een leven van eenzame volmaaktheid na te streven. We zijn immers door God geroepen om in de wereld te leven, niet om die te ontvluchten; in gemeenschap, niet in afzondering; om te streven een evenwicht tot stand te brengen tussen de tegenstrijdige eisen die het leven ons stelt, niet om ons op enkele daarvan te richten ten koste van de rest.

Daarom, hoewel de nazireeër vanuit persoonlijk perspectief een heilige is, is hij vanuit maatschappelijk perspectief, figuurlijk althans, een ‘zondaar’, die een zoenoffer moet brengen.

Maimonides leefde volgens zijn leer. We weten uit zijn geschriften dat hij verlangde naar afzondering. Er waren jaren waarin hij dag en nacht werkte aan zijn Commentaar op de Misjna, en later aan zijn Misjné Tora. Toch had hij ook oog voor zijn verantwoordelijkheid jegens zijn gezin en de gemeenschap. In zijn beroemde brief aan Ibn Tibbon, zijn beoogde vertaler, doet hij verslag van een doorsnee dag en week uit zijn leven, waarin hij een dubbele last droeg: die van wereldberoemd arts en die van rabbijn en kenner van de halacha (joodse wetgeving), aan wie vanuit alle landen vragen werden gestuurd. Hij werkte tot hij erbij neerviel. Er waren tijden dat hij het meer dan een week achtereen haast te druk had om te studeren. Maimonides was een wijze, die ernaar verlangde een heilige te zijn, maar hij wist dat dat niet kon zolang hij zijn verantwoordelijkheden jegens zijn volk niet wilde verzaken. Dit lijkt mij een belangrijk inzicht, ook voor een joods leven in onze tijd.

Terug naar boven

Meer artikelen...

  1. 5778
  2. 5778
  3. 5778
  4. 5778