WUPJlogo 

Torah from Around the World
__________________________________________________________

Gam zoe le-tova.
Ook dit zal ten goede keren.

Nachoem Iesj Gamzoe (Talmoed, Taäniet 21a)

_______________________________________________________________

Indien u ons wilt steunen en ook in staat wilt stellen deze commentaren te verzorgen met een gift die aftrekbaar is voor de belasting, klik dan hier

Alvast onze dank.   

_______________________________________________________________
 

Sjabbat 15 december 2018 / 7 Tewet 5779, Wajigasj, Beresjiet/Genesis 44:18 - 47:27

                Tanach blz. 94 - 101

Haftara:  Ijov/Job 5:3 - 27

                Tanach blz.1486 - 1488

vertaler: Channa Kistemaker

Commentaar: Rabbijn Elisabeth Dunsker, geestelijk leider van Congregation Kol Ami, Vancouver, de Verenigde Staten

Het Engelse origineel 

__________________________________________________ 

 

Langetermijnvisie

 

„Ik ben Joseef,” zei hij, „jullie broer, die jullie verkocht hebben en die naar Egypte is meegevoerd. Maar wees niet bang en maak jezelf geen verwijten dat jullie mij verkocht hebben en dat ik hier ben terechtgekomen, want God heeft mij voor jullie uit gestuurd om jullie levens te redden.” (Beresjiet/Genesis 45:4-5) Ik vind dit een geweldig moment! In een luttele twee verzen weet Joseef zoveel te zeggen. Om te beginnen draait het allemaal om de twee werkwoorden die hij gebruikt om dezelfde gebeurtenis te beschrijven.

Het woord mechartem (jullie hebben verkocht) beschrijft de eerste handeling. Het is waar, de broers hebben hem verkocht. Misschien is het een vriendelijke daad van hen geweest, aangezien zij als alternatief overwogen hem te vermoorden. Maar dan nog: ze hebben dat niet gedaan met de intentie om hem te bevoordelen. Wanneer hij hen zegt „maak jezelf geen verwijten dat jullie mij verkocht hebben,” stelt hij hen verantwoordelijk voor wat ze hebben gedaan door het duidelijk te benoemen. Er schuilt kracht in het benoemen van de misdaad die tegen jou begaan is. Hij daagt hen uit en zegt „jullie hebben mij dit aangedaan”, maar tegelijkertijd zegt hij hen dat zij zich er geen verwijten om moeten maken.

Als we alleen dit eerste gedeelte hadden gehoord, zouden we wellicht niet geloven dat Joseef werkelijk bedoelt dat ze geen wroeging hoeven te voelen. Als dit alles was wat hij had gezegd, zouden we zelfs kunnen denken dat hij wilde dat zij zich heel rot zouden voelen, dat ze zich schuldig zouden voelen, en hem om vergeving zouden smeken. Als we alleen dit gedeelte hadden gehoord, zouden we misschien verwachten dat Joseef zich opmaakt om zijn broers behoorlijk te laten lijden. Maar het integendeel is het geval: met zijn volgende woorden laat hij zien dat hij het echt meent. Hij wil echt niet dat zij zich schuldig voelen.

Zodra hij een ander werkwoord gaat gebruiken om de situatie te beschrijven, wordt ons dat duidelijk.  In plaats van mechartem gebruikt Joseef het woord sjelachani (God heeft mij gestuurd) en maakt daarmee God verantwoordelijk in plaats van zijn broers. Het gaat er niet om dat zijn broers hem hebben verkocht, maar dat God hem heeft gestuurd. Het was niet hun haat en woede, die geleid heeft tot Joseefs ervaringen en de huidige situatie; het was God, die ervoor wilde zorgen dat Joseef op de juiste plaats terecht zou komen om levens te redden.

Ik vind dat heel krachtig. Ik denk dat er een bijzonder soort vergevingsgezindheid voor nodig is om de broers, die wreed tegen hem waren geweest en hem hadden verraden, voor zich te zien en tegelijk te zien dat God werkzaam was in hun handelingen teneinde het goede te bewerkstellingen. Joseef had hen op de proef gesteld om te zien of ze Benjamin in de steek zouden laten, zoals ze hem in de steek gelaten hadden, en hij merkte dat ze in het geval van Benjamin anders reageerden. Hij zag dat zij lief konden hebben en konden zorgen voor een zoon van Racheel en dat ze oog hadden voor de noden van hun vader. Op dat moment is hij in staat om hen elke schuld die ze op dit punt zouden kunnen voelen, kwijt te schelden.

Abravanel (rabbi Isaac ben Juda Abarbanel, Lissabon 1437 – Venetië 1508) lijkt echter niet zo onder de indruk van deze woorden als ik. Hij zegt: „Hoe komt Joseef ertoe om te zeggen 'Niet jullie hebben me hierheen gestuurd, maar God'? Ze hebben hem wel degelijk bewust en met opzet verkocht om hem kwaad te doen. Dat de verkoop door stom geluk ten goede gekeerd werd, is geen verzachtende omstandigheid voor hun vergrijp. Een mens wordt niet geoordeeld naar de toevallige resultaten van zijn daden, maar naar zijn bedoelingen. Toevallige uitkomsten zijn in moreel opzicht van geen enkel belang.” (Nechama Leibowitz, Studies in Bereshit, Jeruzalem, blz.499)

Hij heeft beslist een punt. Als wij iemand anders bewust en met opzet schade berokkenen, maar onze daden pakken goed uit, waar worden wij dan op afgerekend: op het goede dat uiteindelijk tot stand werd gebracht, of op het kwaad dat wij in de zin hadden? Ik moet dan denken aan Bilam/Bileam, die van plan was de Jisraëlieten te vervloeken. In plaats daarvan zegende hij ons met de woorden Ma tovoe ohalecha Jaäkov, misjkenotecha Jisraëel” – „Hoe mooi zijn uw tenten, Jaäkov, hoe mooi uw woningen, Jisraëel.” (Bemidbar/Numeri 24:5) Die woorden maken deel uit van het dagelijkse joods-religieuze leven: we beginnen elke morgen de Birchot ha'sjachar met deze woorden. Hoewel het zijn bedoeling was ons te vervloeken, ontvingen wij in plaats daarvan een zegening, die tot op de dag van vandaag doorwerkt. Moeten we Bilam daarom afrekenen op zijn bedoelingen of op wat hij daadwerkelijk deed? De Babylonische Talmoed, tractaat Sanhedrin 105a, vertelt ons dat Bil’am, toen hij terugkeerde „naar zijn woonplaats” (Bemidbar 24:25), terug ging naar de hel en dat er voor hem geen plaats zou zijn in de toekomstige wereld, zoals voor rechtvaardige mensen. Maar goed, Bilam was ook geen Jisraëeliet, hij was niet een van onze voorouders, dus de rabbijnen zagen geen noodzaak om hem zijn kwade bedoelingen te vergeven. Maar de broers van Joseef zijn van een heel andere orde.

Misschien kunnen we hen vergeven, niet zomaar omdat hun handelingen beter uitpakten dan hun bedoeling was, maar omdat zij tesjoewa hebben gedaan (tot inkeer zijn gekomen en berouw tonen, red.). Ze hebben gezien wat voor ontwrichtende uitwerking het verlies van Joseef op hun vader had. Toen zij opnieuw in verleiding werden gebracht om hun eigen hachje te redden ten koste van een kind van Racheel, waren zij (Jehoeda met name) bereid Benjamins plek in te nemen, om ervoor te zorgen dat hij naar Jaäkov terug kon keren. Misschien was Joseef in staat hen volledig te vergeven, omdat het duidelijk was dat zij zich niet weer op dezelfde manier zouden gedragen. Hij was veranderd door de ervaring en zij ook. Dit verhaal is een schitterend voorbeeld van hoe tesjoewa er echt uit ziet en hoe vergeving er uit kan zien.

Er is hier nog iets anders aan de hand. Wij zijn niet altijd (misschien wel nooit) in staat om alle gevolgen van onze handelingen in hun geheel te overzien en te begrijpen, op het moment dat ze plaatsvinden. Alleen achteraf worden die tot op zekere hoogte inzichtelijk. In haar roman Children of God (New York 1998, blz. 428) schrijft Mary Doria Russell:

„Er is een passage in Exodus - God zegt tegen Mozes: 'Niemand kan mij aangezicht zien, maar Ik zal je beschermen met mijn hand, totdat Ik voorbijgegaan ben. Dan zal Ik mijn hand weghalen en zul jij mijn achterkant zien.' Herinner je je dat?”

Emilio knikte en luisterde verder.

„Nou, ik heb altijd gedacht dat dit een lichamelijk beeld was,” zei John, „maar, weet je, tegenwoordig vraag ik me af of het niet over tijd gaat. Misschien was dit Gods manier om ons te vertellen dat wij nooit zijn bedoelingen zullen kennen, maar dat we na verloop van tijd  (…) zullen begrijpen. We zullen zien waar Hij geweest is; we zullen Hem op de rug zien.”

Wij kunnen de daden van mensen niet echt beoordelen voordat we begrijpen wat ze impliceren. Wanneer wij achterom kijken, zien we soms niet alleen het goede dat voortkwam uit kwade bedoelingen, maar kunnen we misschien zelfs de hand van God aan het werk zien. Soms kunnen we zelfs in staat zijn tot vergeven wanneer we achterom kijken, en begrijpen dat wij en degene die ons dwars heeft gezeten allebei veranderd zijn.

Terug naar boven

Meer artikelen...

  1. 5779
  2. 5779
  3. 5779
  4. 5779