WUPJlogo 

Torah from Around the World
__________________________________________________________

Een beetje licht verdrijft een boel duisternis.

Joods spreekwoord

_______________________________________________________________

Indien u ons wilt steunen en ook in staat wilt stellen deze commentaren te verzorgen met een gift die aftrekbaar is voor de belasting, klik dan hier

Alvast onze dank.   

_______________________________________________________________
 

Sjabbat 8 december 2018 / 30 Kislev 5779, Sjabbat Chanoeka, Mikéts, Beresjiet/Genesis 41:1 - 44:17

                Tanach blz. 84 - 94

Tweede sefer: Beresjiet 1:14 - 19

                Tanach blz. 3

Haftara:  Zecharja 2: 14-4:7 en Jesaja 66: 1 & 23

                Tanach blz. 1214 - 1217

vertaler: Paula Reisner

Commentaar: Rabbijn Jonathan Sacks, emeritus opperrabbijn van het Verenigd Koninkrijk

Het Engelse origineel 

__________________________________________________ 

 

De auteur van onze levens

 

Het was Joseefs eerste echte poging om zijn lot in eigen handen te nemen, en die mislukte. Althans daar leek het op.

Kijk eens naar het verhaal tot nu toe, zoals het in de vorige sidra begon. Bijna alles wat in Joseefs leven gebeurt valt in twee categorieën in te delen. De eerste omvat de zaken die hem aangedaan worden. Zijn vader houdt meer van hem dan van zijn andere zonen. Hij geeft hem een prachtig geborduurde mantel.

Zijn broers zijn jaloers en haten hem. Zijn vader stuurt hem erop uit om te kijken hoe het met de broers gaat, die ver weg de kuddes hoeden. Hij kan ze niet localiseren en moet de hulp van een vreemdeling inroepen om hem de juiste richting aan te geven. De broers smeden een plan om hem te doden, maar verkopen hem als slaaf. Hij wordt naar Egypte gebracht. Hij wordt als slaaf gekocht door Potifar. Potifars eega vindt hem aantrekkelijk, probeert hem te verleiden en als dat haar niet lukt, beticht ze hem van verkrachting, waardoor hij gevangen wordt gezet.

Dit is heel bijzonder. Joseef staat, waar dan ook, in het middelpunt van de belangstelling, alsof hij op het toneel staat en toch is hij, steeds opnieuw, eerder diegene die wat wordt aangedaan dan degene die zelf handelt – meer een object van de handelingen van anderen dan het subject van zijn eigen handelen.

De tweede categorie is nog opmerkelijker. Joseef doet ook dingen. Hij bestuurt het huishouden van Potifar. Hij leidt de organisatie van een gevangenis. Hij interpreteert de dromen van de opperschenker en de opperbakker. Maar, in een unieke reeks van beschrijvingen, schrijft de Tora uitdrukkelijk zijn daden en successen toe aan God.

Hier is Joseef in Potifars huis: „De Eeuwige stond Joseef ter zijde, zodat het hem goed ging. Hij mocht in het huis van zijn Egyptische meester werken. Omdat zijn meester zag dat de Eeuwige Joseef ter zijde stond en alles wat hij ter hand nam voorspoedig liet verlopen, was hij Joseef goedgezind.” (Beresjiet 39 2:3)

„En vanaf het ogenblik dat hij hem belastte met het toezicht op zijn huis en zijn verdere bezittingen, zegende de Eeuwige het huis van die Egyptenaar omwille van Joseef. De zegen van de Eeuwige rustte op alles wat hij bezat, in huis en daarbuiten.” (Beresjiet 39:5)

Hier is Joseef in de gevangenis: „Maar de Eeuwige stond hem ter zijde en bewees hem zijn goedheid door er voor te zorgen dat Joseef bij de gevangenbewaarder in de gunst kwam. Joseef kreeg de leiding over alle gevangenen en hij hield toezicht op het werk dat ze deden. De gevangenbewaarder had geen omkijken naar wat aan Joseef was toevertrouwd, omdat de Eeuwige hem ter zijde stond en alles wat Joseef ter hand nam voorspoedig liet verlopen.” (Beresjiet 39:21-23)

En hier is Joseef, die dromen interpreteert: „Joseef zei: 'De uitleg van dromen is toch een zaak van God? Vertelt u mij die dromen eens.’” (Beresjiet 40:8)

Van geen ander personage in de Tanach wordt dit zo helder, herhaaldelijk en consequent gezegd. Joseef lijkt besluitvaardig, een goede organisator, en succesvol, en zo komt hij op anderen over. Maar, zegt de Tora, het was niet hij maar God die zowel verantwoordelijk was voor wat hij deed als voor het welslagen ervan. Zelfs wanneer hij weerstand biedt aan de toenaderingen van Potifars vrouw, zegt hij uitdrukkelijk, dat het God is die maakt dat wat zij wil, moreel onmogelijk is: „Hoe zou ik zo'n grote wandaad kunnen begaan en zo kunnen zondigen tegen God?” (Beresjiet 39:9)

De enige daad, die duidelijk aan hem toegeschreven wordt, vindt helemaal aan het begin van het verhaal plaats, als hij een ‘slecht rapport’ uitbrengt over zijn broers, de zonen van de slavinnen Bilha en Zilpa. (Beresjiet 37:2) Afgezien van dit voorval, is elke omwenteling van zijn voortdurend veranderende lot het resultaat van de daad van iemand anders, hetzij van een ander mens, hetzij van God (wat betreft Joseefs dromen – waren ze een wenk van God of een gevolg van zijn eigen fantasie? - dat is een ander verhaal voor een andere keer).

Dat is de reden dat onze aandacht op scherp komt te staan als Joseef, aan het eind van de vorige sidra, zijn lot in eigen hand neemt. Nadat hij de opperschenker heeft verteld, dat hij binnen drie dagen door de farao zal worden vergeven en gerehabiliteerd en zijn oude positie terugkrijgen, en er niet aan twijfelt dat dit zal gebeuren, vraagt hij hem zijn zaak te bepleiten bij de farao opdat die hem zijn vrijheid zal geven: „Ik hoop dat u aan mij zult denken als het u straks goed gaat, en dat u mij dan een dienst wilt bewijzen door de aandacht van de farao op mij te vestigen, zodat ik vrijkom." (Beresjiet 40:14)

Wat gebeurt er dan? „De schenker dacht echter niet meer aan Joseef, hij vergat hem.” (Beresjiet 40:23) Dat er twee werkwoorden worden gebruikt voor ‘vergeten’ heeft enorme zeggingskracht. Hij herinnerde het niet. Hij vergat het. De enige keer dat Joseef een poging waagt de auteur van zijn eigen levensverhaal te zijn, faalt hij. Dat falen is beslissend.

De traditie voegt nog een slottoets aan het drama toe. Zij laat de sidra Wajésjèv eindigen met die woorden, zodat wij achterblijven op het punt waarop zijn hoop de grond in wordt geboord. Zal hij nog tot grote hoogten stijgen? Zullen zijn dromen uitkomen? De vraag 'Wat zal er nu gebeuren?' is intens en we zullen een week moeten wachten om dat te weten te komen.

De tijd gaat voorbij en op de meest onwaarschijnlijke wijze (de farao droomt ook en niemand van zijn magiërs of wijze mannen kan ze interpreteren – wat op zichzelf vreemd is, aangezien droominterpretatie een specialiteit was bij de oude Egyptenaren) komen we het antwoord te weten. „Twee hele jaren later...” Die woorden, waarmee onze sidra begint, zijn de sleutelwoorden. Wat Joseef wilde laten gebeuren, gebeurt. Hij verlaat inderdaad de gevangenis. Hij wordt vrij gelaten. Maar pas nadat er twee hele jaren voorbij waren gegaan.

Tussen de poging en het resultaat kwam iets tussenbeide. Dat is de betekenis van het tijdsverloop. Joseef plande zijn vrijlating en hij werd vrijgelaten, maar niet omdat hij het plande. Zijn eigen poging eindigde in een mislukking. De schenker was hem volkomen vergeten. Maar God was hem niet vergeten. God, en niet Joseef, zorgde voor de reeks gebeurtenissen – in het bijzonder farao's dromen – die leidde tot zijn vrijlating.

Wat we willen dat er gebeurt, gebeurt ook, maar niet altijd wanneer we het verwachten, of op de manier waarop we het verwachten, of ook niet alleen maar omdat we zo graag willen dat het gebeurt. God is co-auteur van het script van ons leven, en soms – zoals hier – herinnert Hij ons daaraan door ons te laten wachten en ons te verrassen.

Dat is de paradox van het menselijke bestaan, zoals begrepen door het Jodendom. Aan de ene kant zijn we vrij. Geen godsdienst heeft zo nadrukkelijk gewezen op de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid. Adam en Chava waren vrij om niet te zondigen. Kajin was vrij om Hèvel niet te doden. We vinden excuses voor onze mislukkingen – het lag niet aan mij; het was de schuld van een ander; ik kon er niets aan doen. Maar die zijn niet meer dan dat: excuses. Maar zo zit het niet. We zijn vrij en we dragen wel degelijk de verantwoordelijkheid.

Toch, zoals Hamlet zei: „Er is een godheid die onze plannen afmaakt, ongeacht hoe wij ze opzetten." God is intiem betrokken bij ons leven. Als we op middelbare leeftijd of als bejaarde terugkijken  kunnen we vaak - vaag door de mist van ons verleden - onderscheiden dat een verhaal vorm kreeg, een lot langzaam zichtbaar werd, deels geleid door gebeurtenissen buiten ons toedoen. We hebben niet kunnen voorzien dat dit ongeluk, deze ziekte, deze mislukking, die schijnbaar toevallige ontmoeting, jaren geleden, ons in die richting zou duwen. Maar als we er op terug kijken, kan het lijken alsof we een schaakstuk waren dat door een onzichtbare hand, die precies wist waar deze ons wilde hebben, werd bewogen.

Het was deze zienswijze waarmee de Farizeeën (de architecten van wat we rabbijns Jodendom noemen) zich, volgens Josefus, onderscheidden van de Sadduceeërs en de Essenen. De Sadduceeërs ontkenden dat er zoiets als een levenslot bestaat. Ze zeiden dat God niet in ons leven ingrijpt. De Essenen schreven alles toe aan het lot. Zij geloofden dat alles wat we doen voorbestemd is door God. De Farizeeën geloofden in zowel het levenslot als de vrije wil. „Het was Gods goede genoegen dat er een vermenging zou zijn [van goddelijke voorzienigheid en menselijke keuzevrijheid] en dat de wilskracht van de mens met zijn deugden en ondeugden toegelaten zou moeten worden tot de raadskamer van het levenslot." (Josephus, De oude Geschiedenis van de Joden, XVIII, 1,3)*.

Nergens is dit duidelijker dan in het leven van Joseef, zoals verteld in Beresjiet, en nergens meer dan in de reeks gebeurtenissen, zoals verteld aan het eind van de sidra van vorige week en het begin van deze. Zonder Joseefs handelingen – zijn interpretatie van de droom van de schenker en zijn pleidooi voor vrijheid – zou hij de gevangenis niet hebben verlaten. Maar zonder goddelijke inmenging in de vorm van farao's dromen, zou het ook niet zijn gebeurd.

Dit is de paradoxale wisselwerking tussen lot en vrije wil. Zoals rabbi Akiva het zei: „Alles is voorzien, toch is er vrijheid van keuze.” (Pirké Avot 3:15). Isaac Bashevis Singer verwoordde het heel geestig: „We moeten wel geloven in vrije wil: we hebben geen keuze.” Wij en God zijn medeschrijvers van het mensenverhaal. Zonder onze inspanningen kunnen we niets bereiken. Maar zonder Gods hulp kunnen we ook niets bereiken. Het Jodendom heeft een eenvoudige manier gevonden om deze paradox op te lossen. Voor het ondeugdelijke wat we doen, nemen we de verantwoordelijkheid. Voor het goede wat we doen, danken we God. Joseef is onze mentor. Als hij wordt gedwongen op harde wijze te handelen, huilt hij. Maar als hij zijn broers over zijn succes inlicht, schrijft hij dat toe aan God. Dat is zoals wij ook zouden moeten leven.

* Flavius Josephus, De oude Geschiedenis van de Joden: deel III: boek XIV-XX. Vertaling F.J.A.M. Meijer - M.A. Wes, uitg. Ambo/Kritak Amsterdam en Leuven, 1998. uit Antiquitates Judaicae.

Terug naar boven

Meer artikelen...

  1. 5779
  2. 5779
  3. 5779
  4. 5779