WUPJlogo 

Torah from Around the World
__________________________________________________________

In elke generatie is iedereen verplicht zichzelf te beschouwen

alsof hij zelf uit Egypte is weggetrokken.

Uit: de Haggada

 _______________________________________________________________

Indien u ons wilt steunen en ook in staat wilt stellen deze commentaren te verzorgen met een gift die aftrekbaar is voor de belasting, klik dan hier

Alvast onze dank.   

_______________________________________________________________
 

Sjabbat 14 juli 2018 / 2 Av 5778, Matot/Mas’é, Bemidbar/Numeri  30:2 - 36:13

                Tanach blz. 332 - 348

Haftara: Jirmijahoe 2:4 - 28, 3:4, 4:1 - 2.

                Tanach blz. 916 - 919; 920; 922.

Commentaar: Rabbijn Lewis Eron, leider van de Jewish Federation of Southern New Jersey in Cherry Hill, Verenigde Staten van Amerika.

vertaler: Paula Reisner

Het Engelse origineel 

__________________________________________________ 

 

Het epos persoonlijk maken

 

Sidra Mas’é (Bemidbar 33:1 – 36:13), die Sefer Bemidbar – het boek Numeri – afsluit, brengt ons bij het eind van de reis van onze voorouders vanuit Egypte naar het Beloofde Land. Veertig jaren zijn voorbij gegaan sinds de Exodus plaats vond. Een nieuwe generatie, in vrijheid geboren, heeft de voorgaande generatie met zijn slavernij-ervaring vervangen. Deze generatie heeft zich in de strijd bewezen. Ze is trots, vol zelfvertrouwen, en klaar om de overwinningsstrijd aan te gaan en zich een nieuw grondgebied eigen te maken. Ze zal niet worden teruggehouden door de angsten die hun ouders tegenhielden. Hoewel het comfort van een gevestigd leven hun nakomelingen in de toekomst in verleiding zal brengen en het voor de komende generaties een uitdaging zal vormen om hun unieke Israëlitische erfenis te herontdekken, is deze generatie er een die voor actie is geboren.

Het hoofdstuk waarmee sidra Mas’é een aanvang neemt brengt een hulde aan de ervaring in de wildernis. Hierin vertelt Mosjé, ter wille van het nageslacht, over de twee-en-veertig stadia van Israëls reis van Ramsees in Egypte tot Aveel Hasjitiem in de vlakten van Moav, aan de andere kant van de rivier de Jardeen uit Kenaän. Mosjé roept iedere mars en elk kampement in herinnering, vaak met niet meer informatie dan dat ze hier weg gingen en daar naar toe trokken.

Het is niet nodig in te gaan op elke fase van de reis en wat er toen gebeurde. Mosjé's opsomming komt aan het eind van een goed gedocumenteerd verhaal. De gebeurtenissen van de reizen van ons volk vanuit Egypte naar Kenaän maakten deel uit van het levend volksgeheugen van onze Israëlitische voorouders en zouden ons voldoende bekend moeten zijn, omdat we de Tora ieder jaar doorlezen. Alleen al het noemen van een plaats zou de herinnering aan Israëls ervaring in de woestijn moeten oproepen.

Toch onderbreekt Mosjé deze lijst wel degelijk eenmaal om te herdenken wat er onderweg gebeurde. In deze onderbreking legt Mosjé voor een kort moment zijn mantel van profetisch leiderschap af. Hij is even niet Gods trouwe herder. Hier toont Mosjé zijn menselijke nederigheid en geeft hij een glimp van hoe het voelt de laatste uit een generatie te zijn: gevoelens van verlies en hoop. Door de reis persoonlijk te maken transformeert Mosjé wat weer een lijst van Gods reddende daden had kunnen zijn geworden, tot een ontroerend relaas van levensechte ervaringen van hemzelf  en van zijn volk.

We hadden kunnen verwachten dat Mosjé een moment zou nemen om iets te zeggen over het oversteken van de Jam Soef, de Rietzee, of over het geven van de Tora bij de berg Sinaï, of over het bouwen van het Misjkan, het Tabernakel – de geweldige ervaringen die ons tot een volk maakten, de hoogtepunten van ons nationale epos, de momenten waarin Gods tegenwoordigheid het allersterkste werd gevoeld – maar dat doet hij niet. In plaats daarvan geeft hij in zijn herhaling van de woestijnervaring ten overstaan van de nakomelingen van het volk dat hij uit Egypte wegleidde – de generatie die hij in vrijheid opvoedde – speciale aandacht aan de gebeurtenissen rond de dood van zijn broer Aharon.

In het midden van een bijbelse passage, vrij van wat voor overbodige informatie dan ook, pauzeert Mosjé om details over Aharons dood mee te delen: Aharon stierf op 123-jarige leeftijd op de eerste dag van de vijfde maand, toen de Israëlieten hun kamp hadden opgeslagen vlakbij de berg Hor. Vervolgens voegt hij toe, dat vlak na de dood van Aharon, de Kenaänitische koning Arad – de eerste Kenaänitische koning die werd verslagen door de woestijngeneratie – van de aankomst hoorde van de Israëlieten (Bemidbar/Numeri 33:38-40). In drie korte verzen laat Mosjé ons de pijn en vreugde zien van het observeren van een generatie die voorbij gaat en een volgende generatie die in zijn kracht komt te staan. Met het overlijden van Aharon is iedereen die Mosjé kende uit zijn jeugd gestorven, met uitzondering van Jehosjoea en Kalev, de onbezonnen jongemannen die vanaf het prille begin besloten hun lot te verbinden met Mosjé. In de loop van veertig jaren zag Mosjé zijn generatie uitsterven en een nieuwe opkomen. Mosjé is nu een oude man in een nieuwe wereld.

Hier zien we dat, vanuit het perspectief van Mosjé, Aharons dood en de eerste overwinningen van de Israëlieten die Kenaän zullen binnentrekken de belangrijkste gebeurtenissen in zijn leven zijn sinds de Uittocht uit Egypte. De bitterzoete, menselijke ervaring van de wisseling van generaties grijpt Mosjé diepgaand aan. Door Aharons dood beseft Mosjé dat ook zijn levensreis tot een einde gaat komen. Toch, nadat hij ziet hoe zijn volk de koning van Arad terugdrijft en hem de nederlaag toebrengt, beseft Mosjé ook dat hij een nieuw Israël heeft grootgebracht, met nieuwe leiders, klaar om zich Kenaän toe te eigenen.

Door stil te staan bij de dood van zijn broer, heeft Mosjé iets wat een erg theocentrische geschiedenis had kunnen zijn, veranderd in een menselijk relaas. Het is zo niet langer een samenvatting van de Israëlitische reisroute, waarbij God hen stap-voor-stap naar het Beloofde Land leidde. Door ons een kleine, maar betekenisvolle persoonlijke herinnering aan te reiken heeft Mosjé de geschiedenis tot zijn geschiedenis gemaakt. Hij transformeerde het epische verhaal van God en de Israëlieten in een heel menselijk verhaal van Mosjé en zijn volk, ons volk; een verhaal dat ons nog steeds in het hart raakt en onze ziel ontroert.

Terug naar boven

Meer artikelen...

  1. 5778
  2. 5778
  3. 5778
  4. 5778