WUPJlogo 

Torah from Around the World
__________________________________________________________

De Ziener ontving Wijsheid op de dorre berg,

en gaf haar door aan zijn geliefde leerling,

en de geliefde leerling aan de Ouderen,

en de Ouderen aan de Profeten,

en de Profeten gaven haar door

aan de Mensen van de Grote Vergadering.

Zij zeiden drie dingen:

Wees voorzichtig met oordelen,

want de werkelijkheid is vaak anders dan het lijkt.

En breng veel leerlingen op de been,

want zij zijn de dragers van de Wijsheid.

En maak een hek om de Wijsheid,

want alles van waarde is weerloos.

                              

Pirké Avot, Spreuken der Vaderen, 1:1

Vertaling Leo Mock en Marcel Poorthuis

 _______________________________________________________________

Indien u ons wilt steunen en ook in staat wilt stellen deze commentaren te verzorgen met een gift die aftrekbaar is voor de belasting, klik dan hier

Alvast onze dank.   

_______________________________________________________________
 

Sjabbat 21 april 2018 / 6 Ijar 5778, Tazria-Metsora, Wajikra/Leviticus 12:1 - 15:33

     Tanach blz. 219 - 230

Haftara: 2 DivréHajamiem/Kronieken 26:1 - 23

    Tanach blz. 1806 - 1808

Commentaar: Rabbijn Jonathan Sacks is emeritus opperrabbijn van het Gemenebest.

vertaler: Jaap Frank

Het Engelse origineel 

__________________________________________________ 

Bestaat er zoiets als lasjon tov?

De rabbijnen zagen tsara’at, het thema van de sidra van deze week, niet als een ziekte maar als een op wonderbaarlijke wijze aan het licht komen van de zonde van lasjon hara, kwaadsprekerij. Het Jodendom is een voortdurende overdenking van de kracht van woorden, bij het toebrengen van schade of bij een genezingsproces, bij maken of breken. Net zoals God de wereld schiep met woorden, brengen wij relaties tot stand, of we vernietigen ze, met woorden.

Veel is er door de rabbijnen gezegd over lasjon hara, maar eigenlijk niets over wat het logischerwijs impliceert, lasjon tov, ‘het juiste spreken’. Dit komt noch in de Babylonische Talmoed noch in de Jeruzalemse Talmoed voor. Het duikt maar in twee midrasjiem op, waar het refereert aan het eren van God. Maar lasjon hara is geen kwaadspreken over God. Het betekent verkeerde dingen over mensen zeggen. Als het een zonde is om over mensen kwaad te spreken, is het dan een mitswa om positieve  dingen over ze te zeggen?  Ik vind van wel en, om het aan te tonen, wil ik samen met u terug gaan naar de bronnen.

In het Misjna-tractaat Pirké Avot, Spreuken der Vaderen (2: 10-11), lezen we: „Rabbi Jochanan ben Zakkai had vijf (uitzonderlijk goede) leerlingen: rabbi Eliëzer ben Hyrcanus, rabbi Josjoea ben Chananja, rabbi Jose de Priester, rabbi Sjimon ben Netanel en rabbi Elazar ben Arach. Dit was hoe hij hen vaak prees: Eliëzer ben Hyrcanus noemde hij een bepleisterde waterput die nooit een druppel verliest; Josjoea ben Chana: gelukkig de vrouw die hem baarde; Jose de Priester: een godvrezend mens; Sjimon ben Netanel: een man die de zonde vreest, en Elazar ben Arach: een eeuwig stromende bron.

Maar toch lijkt de lof van rabbi Jochanan voor zijn discipelen haaks te staan op wat de Talmoed elders zegt: „Rav Dinn, de broer van Rav Safra zei: ‘Laat niemand ooit zijn buurman prijzen, want lof leidt tot kritiek’." (bT Arachin 16a)

Rasji legt deze uitspraak op twee manieren uit. Na zijn overdreven loftuitingen (joter midai) zal de spreker zelf (al was het maar voor het evenwicht) toegeven dat ook de persoon in kwestie zijn fouten heeft. Of anderen zullen zijn tekortkomingen aanwijzen. Voor Rasji is de cruciale vraag of de lof terecht is, to the point, waarachtig of juist overdreven? In het eerste geval is lof toegestaan, anders is het verboden. Klaarblijkelijk lette rabbi Jochanan er op niet te overdrijven.

Maar Rambam ziet het anders. Zo schrijft hij: „Wie in aanwezigheid van diens vijanden goed spreekt over zijn naaste, maakt zich schuldig aan tweedegraads kwaadsprekerij (avak lasjon hara), omdat dat hen ertoe zal aanzetten kwaad over hem te spreken.” (Misjné Tora, Hilchot Deot 7:4)
Volgens Rambam gaat het er niet om of de lof terughoudend is of juist overdreven, maar om de context waarin die lof wordt gegeven. Als het gebeurt in aanwezigheid van vrienden van diegene over wie je spreekt is het toegestaan. In aanwezigheid van zijn of haar vijanden en van hen die de besprokene  geringschatten, is het verboden. Loftuitingen worden in dat geval tot provocaties, met alle negatieve gevolgen van dien.

Is hier alleen maar sprake van twee meningen of gaat het dieper? Er is een beroemde passage in de Talmoed die bespreekt hoe men een bruid moet prijzen op haar huwelijk.

Onze rabbijnen leerden: „Hoe moet je dansen voor de bruid?” (dwz, hoe en wat moet men zingen?) HIllels leerlingen menen dat men bij een huwelijk moet zingen dat de bruid mooi is, of dat ze dat is of niet. Leerlingen van Sjammai zijn het daar niet mee eens. Vertel nooit leugens, wat de gelegenheid ook moge zijn. „Noem je dat een leugen?" antwoorden de leerlingen van Hillel: „In ieder geval is de bruid mooi in de ogen van de bruidegom."

Er is hier niet alleen maar sprake van een verschil in temperament – tussen de puriteinse leerlingen van  Sjammai en de wat relativerender leerlingen van Hillel – nee, er is hier sprake van twee visies op het wezen van taal. Voor de volgelingen van Sjammai is taal een manier om uitspraken te doen, die of waar of onwaar zijn. Volgens de leerlingen van Hillel is taal meer dan het doen van uitspraken. Met taal kunnen we aanmoedigen, meevoelen, motiveren en inspireren. Of we kunnen haar gebruiken om te ontmoedigen, te vernederen, te bekritiseren en neerslachtig te maken. Taal doet meer dan informatie doorgeven. Het draagt emoties over. Het maakt of verziekt een stemming. Gevoelig taalgebruik impliceert sociale en emotionele intelligentie. Volgens de Britse taalfilosoof  J.L. Austin is taal niet alleen bedoeld voor overdracht van informatie, maar ook om iets te ‘doen’.

De discussie tussen Hillel en Sjammai heeft veel gemeen met die tussen Rambam en Rasji. Zowel voor Rasji als voor Sjammai is de kernvraag over lof: is die waar of overdreven? Voor Rambam en Hillel geldt: binnen welke context wordt het gezegd? Wordt het onder vrienden of onder vijanden geuit? Roept het warme gevoelens en respect op of juist naijver en ressentiment?

We kunnen nog een stap verder gaan, omdat het meningsverschil tussen Hillel en Sjammai over lof verwantschap vertoont met een fundamenteler meningsverschil over de essentie van de opdracht: „Heb je naaste lief als jezelf” (Wajikra 19:18). Zo legt Rasji het gebod uit: „Behandel je naaste niet zoals je zelf niet behandeld wil worden" (Rasji’s commentaar op bT Sanhedrin 84b). Rambam daarentegen zegt dat het gebod ook de plicht ‘om hem te prijzen’ inhoudt. (Hilkhot Deot 6:3). Voor Rasji is het prijzen van je naaste duidelijk een vrije keuze, terwijl Rambam het ziet als vast onderdeel van het gebod tot liefhebben.

Dan kunnen we nu de vraag, die gaat over de leerlingen van Jochanan ben Zakkai, beantwoorden; we hadden hem al eerder moeten stellen over het Misjna-tractaat Pirké Avot. Pirké Avot gaat over ethiek en niet over geschiedenis of over levensbeschrijvingen. Waarom vertelt het ons dan toch dat Rabbi Jochanan leerlingen had? Dat is in elk geval een feit en geen waardeoordeel, geen levensles maar informatie.

Maar inmiddels is duidelijk dat de Misjna ons iets met een diepere betekenis vertelt. Meteen aan het begin van Pirké Avot (1:1) staat iets essentieels: „Breng veel leerlingen op de been!" (vert. Mock en Poorthuis) Maar hoe krijg je leerlingen? Hoe inspireer je mensen om te worden wat ze kúnnen worden, om eruit te halen wat er in ze zit? Het antwoord is: doen wat Rabbi Jochanan ben Zakkai deed, toen hij zijn leerlingen prees, door iedereen op zijn sterkste eigenschappen te wijzen.

Hij vleit ze niet. Hij maakte hen bewust van hun meest persoonlijke kwaliteiten. Zo was Eliëzer ben Hyrcanus, „de bepleisterde waterput die nooit een druppel verliest”, niet echt creatief, maar hij bezat een fenomenaal geheugen – niet onbelangrijk in de tijd dat de Mondelinge Tora nog niet was opgeschreven. Elazar ben Arach, „de eeuwig stromende bron”, was zeker creatief, maar moest wel steeds door de stroompjes uit de bergen worden aangevuld. Jaren later verliet hij zijn collega’s en vergat al zijn verworven kennis.

Rabbi Jochanan ben Zakkai koos voor de visie van Hillel en Rambam op het prijzen: niet zozeer om te beschrijven maar om te motiveren. En dat is lasjon tov. Kwaadsprekerij maakt ons kleiner, goedsprekerij helpt ons groeien. Kwaadsprekerij haalt mensen onderuit, goedsprekerij tilt ze boven henzelf uit. Op de persoon gerichte lof, gebaseerd op een weloverwogen oordeel over persoonlijke kwaliteiten en gedragen door geloof in mensen en hun mogelijkheden, dat is wat leraren groot maakt en hun leerlingen boven zichzelf uit tilt. Dat is wat Rabbi Jochanan ben Zakkai ons leert. 

Er bestaat dus wel degelijk zoiets als lasjon tov. Volgens Rambam valt het binnen het gebod: „Heb je naaste lief als jezelf". Volgens Pirké Avot is dit een manier om ‘veel leerlingen op de been te brengen'. Zo destructief als lasjon hara is, zo creatief is lasjon tov.

Het goede in mensen zien en hen daarvan bewust maken, is een manier om dat goede te verwerkelijken. Zo word je een vroedvrouw van hun persoonlijke ontwikkeling. Als dat zo is, dan moeten we niet alleen God, maar ook mensen prijzen.

Terug naar boven