WUPJlogo 

De rechtvaardige zal bloeien als een palmboom; als een ceder op de Libanon gedijen (psalm 92:13).  Zoals de palm en de ceder kronkels noch overtollige groeisels hebben, zo kent de tsaddiek achterbaksheid noch overtolligheid. Zoals de palmboom en de ceder lange schaduwen vooruit werpen, zo strekt de beloning voor de rechtvaardige zich ook ‘ver uit’. Zoals de palmboom en de ceder zich omhoog richten, zo richt het hart van de tsaddiek zich op God. Zoals de palmboom en de ceder hun verlangens hebben, zo heeft de rechtvaardige een verlangen: zijn verlangen geldt de Eeuwige.   

Genesis Rabba, Lech lecha, 41:1


Indien u ons wilt steunen en ook in staat wilt stellen deze commentaren te verzorgen met een gift die aftrekbaar is voor de belasting, klik dan hier

Alvast onze dank.
_______________________________________________________________

Sjabbat 25 maart 2017 / 27 Adar 5777 (Sjabbat haChodesj), Wajakheel-Pekoedee, Sjemot/Exodus 35:1 - 40:38
    Tanach blz. 182 - 196

2e Sefer Tora: Sjemot / Exodus 12:1 - 20
    Tanach blz. 130 - 131
Haftara: Jechezkeel / Ezechiël 45:16 - 46:18
    Tanach blz. 1134 - 1136

Commentaar: Rabbijn Dan Levin is rabbijn van Temple Beth El in Boca Raton, Florida.

vertaler: Channa Kistemaker

Oorspronkelijke Engelse tekst

_____________________________________________________ 

 

De feestelijke opening

  

In de sidra Pekoedee zien we hoe de Israëlieten de takenlijst voor de Tabernakel afwerken. Heel zorgvuldig vermeldt de tekst hoe Betsaleel en Oholiav, onder leiding van Aharons zoon Itamar, al het materiaal dat de Jisraëlieten aandroegen verwerkten in de opbouw, de aankleding en het meubilair van de Tabernakel.

Zodra het hele project was uitgevoerd, werd het aan Mosjé overgedragen. „Zo werd het werk aan de Tabernakel, de Ontmoetingstent, voltooid. De Jisraëlieten hadden alles precies zo gemaakt als de Eeuwige het Mosjé had opgedragen.” (Sjemot / Exodus 39:32)
Het interessante is dat we in de hele sidra telkens horen dat Betsaleel en Oholiav verantwoordelijk waren voor alles wat werd gemaakt. Maar aan het eind van elke gedetailleerde beschrijving van een onderdeel staat steeds hetzelfde zinnetje: „zoals de Eeuwige het Mosjé had opgedragen.”

We leren dat Betsaleel zijn geest vormde naar wat God had opgedragen. De tekst zegt dat Betsaleel „alles (had) uitgevoerd zoals de Eeuwige het aan Mosjé had opgedragen.” (Sjemot / Exodus 38:22) Rasji merkt daarbij op: „Er staat niet 'alles wat Mosjé had opgedragen', maar 'alles wat de Eeuwige aan Mosjé had opgedragen'. Betsaleel deed zelfs dingen die zijn meester hem niet had opgedragen; zozeer had hij zijn gedachten gevormd naar wat aan Mosjé was opgedragen op de Sinaï." 1)

Hoe was Betsaleel daartoe in staat? Hoe wist hij wat God aan Mosjé had opgedragen? Rasji vindt het antwoord in de naam Betsaleel. In de midrasj wordt verteld hoe Betsaleel op een bepaald punt wil afwijken van wat Mosjé hem opdraagt. Mosjé geeft hem gelijk en zegt: „Jij stond wellicht in de schaduw van God (be-tsal-El), want zo heeft de Eeuwige het mij inderdaad opgedragen.” 2) Het inzicht en de vaardigheden die hij nodig had om zijn visie op de Tabernakel te verwerkelijken, kon Betsaleel ontleden aan zijn nabijheid tot God.

Heel lang waren de Jisraëlieten afhankelijk geweest van iemand anders om toenadering tot God te zoeken. Toen ze uit Egypte bevrijd moesten worden; toen ze stuitten op de oever van de Rietzee;  toen ze onderweg zonder voedsel kwamen te zitten: telkens weer smeekten ze Mosjé om God erbij te halen voor hen. Toen God rechtstreeks tot hen sprak, hadden zij liever dat Mosjé als tussenpersoon optrad. En toen zij tenslotte hun vertrouwen in God én in Mosjé kwijtraakten, belaagden ze Aharon en zeiden: „Maak een god voor ons die voor ons uit kan gaan (...).” (Sjemot/Exodus 32:1).

Maar bij het bouwen van de Tabernakel proberen de Jisraëlieten zelfstandig toegang te krijgen tot de wijsheid van God. Onder leiding van Betsaleel, die zijn eigen plek in Gods nabijheid had gevonden, bestudeerden zij de opdracht van Mosjé en kregen zo inzicht in wat God verlangde. De tekst herinnert ons er nog eens aan dat „zoals de Eeuwige het aan Mosjé had opgedragen, zó hadden de Jisraëlieten al het werk uitgevoerd.” (Sjemot/Exodus 39:42)
Nachmanides merkt op dat hier niet het gebruikelijke woord voor werk, melacha, wordt gebruikt, maar het woord avoda, dat ook gebruikt wordt voor het dienen van God. „Want daarom hebben zij de Tabernakel gemaakt, om de mitswa 'Je zult de Eeuwige je God dienen' (Sjemot/Exodus 23:25) te vervullen.” 3)
Met het voltooien van het werk aan de Tabernakel hebben de Jisraëlieten geleerd dat God niet alleen Mosjé als Zijn dienaar wil, maar dat de Jisraëlieten samen het vermogen hebben een huis voor God te bouwen.

De Jisraëlieten brachten de Tabernakel naar Mosjé, „de tent met alle toebehoren, de haken, de planken, dwarsbalken, palen en voetstukken (...). (Sjemot/Exodus 39:33), alles klaar voor gebruik. Toen Mosjé zag hoe zij hun werk gedaan hadden, „precies zoals de Eeuwige het had opgedragen, zo hadden de Jisraëlieten het gemaakt - zegende Mosjé hen”. (Sjemot/Exodus 39:43)

Mosjé zegende hen omdat zij eindelijk waren geworden zoals God hen had bedoeld: „een koninkrijk van priesters en een heilig volk.” (Sjemot/Exodus 19:6) Eindelijk waren zij zelfstandige dienaren van God geworden. Daarom kreeg Mosjé vervolgens de taak om de Tabernakel te voltooien. Hij was niet langer degene die God naar het volk moest brengen. Door het product van hun passie en persoonlijke offers heeft het volk God naar Mosjé gebracht.

Omdat het volk als geheel uit zijn eigen goddelijke oorsprong heeft geput, door ieder voor zich de Betsaleel in zichzelf te zien, werd de Tabernakel voltooid, en daardoor kon de Aanwezigheid van God de ruimte vullen. Rabbijn Jacob Arjé van Radzymin zei: „Het hele heiligdom was gevuld met Israëls liefde voor en verlangen naar God. (...) Als gevolg daarvan rustte de Sjechina [Aanwezigheid, red.] op hen." 4)

Ieder van ons kan een Betsaleel zijn. Ieder van ons kan zijn plek vinden in de schaduw van God, en putten uit de heilige inspiratie om te zien hoe God wil dat wij bijdragen aan het grote plan voor het huis van God. Maar een huis voor God bouw je niet in je eentje. Alleen wanneer ieder van ons zijn of haar eigen unieke gaven aandraagt, met liefde en het verlangen om de hogere en heiliger doelen van ons bestaan te dienen, kan de Aanwezigheid van God onze heiligdommen vullen; de heiligdommen welke we met onze handen bouwen, en de heiligdommen die we in ons hart dragen.

1. The Commentators’ Bible: The JPS Miqra’ot Gedolot – Exodus, ed. Michael Carasik (Philadelphia: JPS, 2005), blz. 326-7
2. Ibid.
3. Ibid., blz. 332
4. Iturei Torah: Torah Gems, vol. 2, compiled by Aharon Yaakov Greenberg, trans. by Rabbi Dr. Shmuel Himelstein (Tel Aviv: Chemed Books, 1998), blz. 238

Terug naar boven

Meer artikelen...

  1. 5777
  2. 5777
  3. 5777
  4. 5777