WUPJlogo 

Rabbi Juda droeg een kan en rabbi Sjim’on een mand het beth hamidrasj (leerhuis) binnen. Zij zeiden: „Handwerk is een grootse zaak, want het geeft eer aan degenen die het doen.”

                                                                                                              Babylonische Talmoed, Nedariem 49b


Indien u ons wilt steunen en ook in staat wilt stellen deze commentaren te verzorgen met een gift die aftrekbaar is voor de belasting, klik dan hier

Alvast onze dank.

_______________________________________________________________

 Sjabbat 20 mei 2017 / 24 Ijar 5777, Behar-Bechoekotai, Wajikra/Leviticus 25:1 - 27:34

    Tanach blz. 250 - 260
Haftara: Jirmeja 32:6 - 27 en 16:9 - 17:14
    Tanach blz. 985 - 987 en 950 - 952

Commentaar: Rabbijn Billy Dreskin is rabbijn van Woodlands Community Temple nabij White Plains, New York.

vertaler: Jochanan Belinfante

Het Engelse origineel

_____________________________________________________ 

Wanneer het land braak ligt

 

In de dubbele sidra van deze week, Behar-Bechoekotai, lezen we (naast vele andere onderwerpen) over de mitswa van het naleven van het joveel, het vijftigste Jubeljaar. Zoals staat in de tweede helft van Wajikra 25:10: „Elk vijftigste jaar zal voor jullie een heilig jaar zijn (…) waarin ieder naar zijn eigen grond en zijn eigen familie kan terugkeren.”

Twee jaar lang (dit jaar en de sjemita, het Sjabbatjaar, dat ervoor plaatsvindt in het negenenveertigste jaar) ligt het land braak. Niets mag worden geplant, en God belooft de Bne Jisraël dat er genoeg voedsel voor hen zal groeien om te eten en gezond te blijven tot aan de oogst volgend op het hervatten van het planten in het één en vijftigste jaar. En, zoals de tekst eist: elke Israëliet zal terugkeren naar het grondgebied van zijn stam, zoals dat verdeeld werd na de verovering van Kenaän door Jehosjoea.

Voor zijn commentaar op deze passage keek rabbi Jitschak Nafcha (3de eeuw gewone jaartelling) naar psalm 103:20: „Prijs de Eeuwige, u die zijn boden bent, sterke helden die doen wat hij zegt, gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt.” Hij schreef: „Dit heeft betrekking op hen die de mitswa ‘het land braak laten liggen’ uitvoeren. Waarom worden zij ‘sterke helden’ genoemd? Omdat het normaal is voor iemand om een gebod één dag te vervullen, of één Sjabbat, of zelfs een hele maand, maar kan iemand dat een heel jaar volhouden? Deze persoon ziet zijn velden en bomen als zonder eigenaar, zijn omheiningen zijn gebroken en het fruit wordt gegeten, en toch beheerst hij zich en zegt niets. Onze rabbijnen dachten: 'Wie is sterk? Iemand die zijn hartstocht beheerst.’ Bestaat er een sterkere held dan zo iemand?” (Midrasj Tanchoema over parasja Wajikra)

Tijdens Chanoeka van 1998 gaf de jonge Joshua Davidson (nu senior rabbijn van Temple Beth El in Northern Westchester, Chappaqua, New York) een trompet aan mijn acht jaar oude zoontje Jonah. Hij was vanaf zijn kindertijd in Joshua’s bezit geweest en ik kan mij nog herinneren dat hij er op de middelbare school op speelde. Joshua vond dat Jonah de juiste persoon was om de trompet te krijgen, om een aantal zeer goede redenen. Ten eerste, Jonah had van Joshua geleerd hoe je de sjofar moet blazen en het is een kleine stap van sjofar-blazer naar trompetspeler. Ten tweede, Jonah en Joshua deelden dezelfde initialen - J.M.D. - die op de buitenkant van de trompetkoffer zijn aangebracht. De acht-jarige Jonah reageerde uitbundig, zoals hij zijn hele leven al doet. Hij vond het ongelooflijk cool dat hij dit instrument had gekregen, en dan ook nog met zijn initialen er op. Hij vond ook dat hij er „een beetje oud” uit zag, wat klopte, ook al was Joshua dat (nog) niet. Maar waar hij over viel, was het mondstuk, het metalen deel waar doorheen geblazen wordt om het geluid van de trompet te maken. Jonah kon zich niet voorstellen ooit het mondstuk van iemand anders te gebruiken. Hij bleef volhouden: „Het is vast met miljoenen afschuwelijke bacillen bedekt!” Om de kans op een toekomstige wereldtournee als virtuoso niet in de kiem te smoren, verzekerde ik hem dat wij het mondstuk konden steriliseren, zodat hij het zonder angst voor besmetting kon bespelen. Dat deden we en vele jaren lang genoten wij het voorrecht onze zoon te zien spelen tijdens schoolconcerten en te horen hoe hij de sjofar blies, terwijl Ellen en ik de familiedienst van Rosj Hasjana leidden.

Drie jaar geleden overleed Jonah Maccabee Dreskin, 19 jaar oud. Zoals u zich kunt voorstellen was het de moeilijkste en pijnlijkste ervaring van mijn leven om hem los te laten. Jonah was altijd heel aanwezig. Hij was een clown met een enorm hart, die nooit een kans liet lopen om de draak te steken, maar nooit ten koste van iemand anders. Hij stond altijd klaar voor een vriend in nood en beklaagde zich nooit als zijn moeder hem vroeg het huis te stofzuigen of de tafel te dekken. Hij noemde mij „ouwe” en genoot ervan hard op mijn arm te stompen en zei altijd dat ik alleen met pensioen naar Maui mocht gaan als mama het huis dat hij voor haar zou kopen met mij wilde delen.

Toen Jonah overleed brak voor mijn familie en mij een tijd van ontreddering aan, waarin het land braak lag. Een tijd lang werd er niets geplant en groeide er niets. Wij werden elke dag wakker, kleedden ons aan, aten wel, maar verder deden we niet veel. Wij brachten de dag door, maar er kwam niets uit onze handen. Wij leefden van wat er al was. Wij moesten deze immense leegte die over het landschap van onze harten geworpen werd zien te overleven. We konden alleen maar proberen erop te vertrouwen dat er een dag zou komen, waarop wij in staat zouden zijn het planten te hervatten, en daarmee voor ons een nieuwe oogst, nieuwe plannen en nieuwe liefde de kans te geven om opnieuw tot bloei te komen.

Wij waren alles behalve alleen op ons braak liggende land. Ten eerste waren er een heleboel behulpzame vrienden en verre verwanten die naar ons omkeken, ons hielpen, ons voedden en ons beschermden, tot wij zo ver waren dat wij  ons leven weer konden oppakken! Ten tweede bleken er een heleboel mannen, vrouwen (en kinderen!) dezelfde ervaringen te hebben doorgemaakt: iemand verliezen van wie zij hielden en de periode van rouwen zien door te komen, soms maanden, soms jaren, totdat zij terug konden gaan naar de velden om opnieuw te beginnen met planten.

Ik weet niet of rabbi Jitschak Nafcha aan iets anders dacht dan aan boeren toen hij uitleg gaf over de uitdaging van het in acht nemen van één à drie jaar sjemita en het joveel-jaar. Maar het zou mij niet verbazen als hij ook deze vergelijking maakt. Tenslotte, gaat er iemand door het leven zonder geconfronteerd te worden met het overlijden van iemand van wie hij hield? Hetzij vroeg, hetzij laat, wat zich natuurlijk laat wensen, maar uiteindelijk komt de dood. En ieder van ons moet leren omgaan met het diepe emotionele verlies en de weg zien te vinden op de kronkelige reis door het verdriet terug naar heelheid.

Geloof in de terugkeer van economisch welzijn, of geloof in de terugkeer van optimisme, hoopvol zijn en vreugde hervinden is soms moeilijk. Soms moeten wij degenen zijn die anderen overeind houden, terwijl zij reizen over hun eigen braak liggende land en niet in staat zijn hun gevoel voor de rijkdom van het leven te herwinnen. Op een ander moment zijn wij het zelf die het zicht daarop verliezen en kunnen we misschien niet veel meer voelen dan dat anderen over ons waken tot we klaar zijn.

In het jubeljaar is jubelen misschien niet het eerste wat in ons opkomt. Het is belangrijk te bedenken, dat, ook al kost het tijd, ieder van ons naar zijn eigen huis kan en zal terugkeren, en dat het land opnieuw zijn goedheid zal voortbrengen.

 

Terug naar boven

 

Meer artikelen...

  1. 5777
  2. 5777
  3. 5777
  4. 5777