WUPJlogo 

Torah from Around the World
__________________________________________________________

 

Bedenk altijd: vreugde is niet iets bijkomstigs in je spirituele zoeken. Het is van levensbelang.

Rabbi Nachman van Bratzlav

_______________________________________________________________

Indien u ons wilt steunen en ook in staat wilt stellen deze commentaren te verzorgen met een gift die aftrekbaar is voor de belasting, klik dan hier

Alvast onze dank.

_______________________________________________________________
   

Sjabbat 19 augustus 2017 / 27 Av 5777, Sjabbat Nachamoe, Re’é, Dewariem/Deuteronomium 11:26 - 16:17
    Tanach blz. 375 - 385
Haftara: Jesjaja 54:11 - 55:5
    Tanach blz. 893 - 894

Commentaar: Rabbijn Jonathan Sacks, emeritus opperrabbijn van het Gemenebest.

vertaler: Frits Pront

 Het Engelse origineel

_____________________________________________________ 

 

De diepe kracht van vreugde

 

Op 14 oktober 1663 bracht de beroemde dagboekschrijver Samuel Pepys  (uitspraak pieps, red.) een bezoek aan de Spaanse en Portugese synagoge in Creechurch Lane in Londen. Joden waren in 1290 uit Engeland verbannen, maar in 1656 kwam Oliver Cromwell - na tussenkomst van rabbijn Menasseh ben Israel uit Amsterdam-  tot de conclusie dat er in feite geen wettelijke hinderpaal was voor Joden om er te wonen. Dus konden Joden voor het eerst sinds de dertiende eeuw weer openlijk hun godsdienst uitoefenen.

De eerste synagoge, degene die Pepys bezocht, was alleen maar een woonhuis dat toebehoorde aan een succesvolle Portugees-Joodse koopman, Antonio Fernandez Carvajal, waar een stuk was aangebouwd om de gemeente te huisvesten. Pepys was al een keer eerder in de synagoge geweest ter gelegenheid van de herdenkingsdienst voor Carvajal, die in 1659 overleed. Die gebeurtenis was droefgeestig en plechtstatig geweest. Wat hij bij zijn tweede bezoek zag, was totaal iets anders, een  tafereel van een viering, dat hem choqueerde. Dit is wat hij in zijn dagboek schreef:

…na het diner [gingen, red] mijn vrouw en ik, onder leiding van mijnheer Rawlinson, naar de Joodse Synagoge: alwaar de mannen en de jongens in hun sluiers (tallitot, JS), en de vrouwen uit het zicht achter een traliewerk staan; en een paar dingen, waarvan ik denk dat het hun Wet is, staan rechtop in een muurkast (de aron, JS) waarheen allen die binnenkomen een buiging maken; en onder het omdoen van hun sluiers zeggen ze iets waarop anderen die het horen amen schreeuwen, en de man zijn sluier kust.
Hun dienst gaat helemaal op een zangerige wijze, en in het Hebreeuws. Direct daarna worden de Wetsrollen die zij uit de kast nemen door een aantal mannen gedragen, in totaal vier of vijf verschillende zware voorwerpen, en zij wisselen elkaar af; en of het nu is dat elkeen er een wil dragen, weet ik niet, maar het was zo dat zij hen de ruimte ronddroegen terwijl men bleef zingen (…) Maar, Goeie God! de aanblik van de chaos, het gelach, de wanorde, en het gebrek aan aandacht, alleen maar verwarring in hun hele dienst, meer als dieren, dan als mensen die de ware God kennen, maken dat een mens zich voorneemt om hen nooit meer te bezoeken, en inderdaad heb ik nooit iets dergelijks gezien of me kunnen indenken dat er ook maar een religie in de hele wereld zou zijn die zo absurd in zijn uitvoering is als deze.

Arme Pepys. Niemand had hem verteld dat de dag die hij had gekozen om naar de synagoge te komen Simchat Tora was. Nog nooit had hij in een bedehuis iets gezien dat leek op de uitbundige blijdschap op de dag dat wij dansen met het sefer Tora, alsof de wereld een trouwerij is en het boek de bruid, met dezelfde uitgelatenheid als Koning David, toen hij de heilige ark Jeruzalem binnenbracht.

Vreugde is niet het eerste woord dat spontaan in je opkomt als we denken aan het strenge karakter van het Jodendom als morele code of aan de van tranen doordrenkte bladzijden van de joodse geschiedenis. Als Joden zijn we afgestudeerd in ellende, hebben we een universitaire graad in schuldgevoelens, en een gouden medaille voor vertoon van klagen en weeklagen. Iemand heeft ooit de Joodse feestdagen samengevat in drie zinnen: „Zij hebben geprobeerd ons te doden. Wij hebben het overleefd. Laten we eten.” Toch is het wel degelijk zo dat veel psalmen pure vreugde uitstralen. Vreugde is een van de sleutelwoorden in het boek Dewariem. De wortel s-m-ch komt één keer voor in Beresjiet, Sjemot, Wajikra en Bemidbar, maar twaalf keer in Dewariem, waarvan zeven in de sidra van deze week.

Wat Mosjé keer op keer zegt is dat het vreugde is wat we zouden moeten voelen in het land Jisraëel, het land dat ons door God gegeven is, de plek waarnaar het hele Joodse leven sinds de dagen van Awraham en Sara onderweg is geweest. Het onmetelijke universum met zijn ontelbare melkwegstelsels en sterren is Gods kunstwerk; maar daarbinnen is het de planeet aarde, en daarop het land Jisraëel en de heilige stad Jeroesjalajim, waar Hij het meest nabij is, waar Zijn tegenwoordigheid in de lucht hangt, waar het uitspansel blauw is als de hemel en de stenen een gouden troon vormen. Daar, zei Mosjé, „op de plaats die de Eeuwige uw God zal kiezen (…) om er zijn naam te laten wonen” (Dewariem 12:5) zal je de liefde vieren tussen een klein en verder onbetekenend volk en de God die dit volk tot de Zijne maakte, en het tot grootsheid ophief.

Daar zal het zijn, aldus Mosjé, dat het hele gecompliceerde verhaal van de joodse geschiedenis duidelijk zal worden, waar een heel volk – „jullie, jullie zonen en dochters, jullie mannelijke en vrouwelijke slaven, en de Levieten uit jullie steden, die geen grondgebied hebben zoals jij” - samen zullen zingen, samen zullen bidden en samen de feesten zullen vieren in de wetenschap dat geschiedenis niet gaat over een rijk of veroveringen, dat samenleven niet gaat over hiërarchie en macht, dat burger en koning, Jisraëliet en priester allen gelijk zijn in de ogen van God. Zij zijn allen stemmen in zijn heilig koor, allen dansers in de cirkel waarvan de kern wordt gevormd door de gloed van het Goddelijke. Dit is waar het Verbond over gaat: de transformatie van het menselijk bestaan door middel van wat de romantische dichter William Wordsworth „de diepe kracht van vreugde” noemde. [1]

Aristoteles heeft gezegd dat gelukkig zijn (eudaemonia in het Grieks) het ultieme doel is van het menselijke bestaan. We begeren veel dingen, maar meestal als  middel om iets anders te krijgen.  Er is maar een ding dat op zichzelf begerenswaardig is en nimmer ten behoeve van iets anders, en dat is geluk. [2]

Zo’n opvatting is ook in het Jodendom te vinden. Het bijbelse woord voor gelukkig, asjré, is het eerste woord van het boek Tehiliem/Psalmen en een sleutelwoord in onze dagelijkse gebeden. Maar Tanach spreekt veel vaker over simcha, vreugde - en dat zijn verschillende dingen. Geluk is iets dat je als individu kan voelen, maar vreugde, in Tanach, is iets dat je met anderen deelt. In het eerste jaar van zijn huwelijk moet een man „thuisblijven om zijn vrouw vreugde te brengen”, zo schrijft Dewariem (24:5) voor. Wanneer men het eerste en beste deel van de oogst naar de Tempel brengt, „mag u, samen met de Levieten en de vreemdelingen die bij u wonen, vreugde beleven aan al het goede dat u en uw familie van Hem hebben ontvangen.” (Dewariem 26:11) In een van de meest opmerkelijke teksten in de Tora zegt Mosjé dat vervloekingen over het volk zullen komen, niet omdat zij afgoden hebben gediend of God hebben verlaten, maar „omdat u de Eeuwige, uw God, niet met vreugde en een opgewekt hart hebt gediend, vanwege de overvloed aan alles.” (Dewariem 28:47) Er niet in slagen je over iets te verheugen is het eerste teken van decadentie en verval.

Er zijn andere verschillen. Geluk gaat over je hele leven, vreugde is iets van het moment. Geluk is vaak een wat koele emotie, maar vreugde maakt dat je wilt dansen en zingen. Het is moeilijk om je gelukkig te voelen temidden van onzekerheid. Maar een blij gevoel hebben kan nog wel. Koning David spreekt in de psalmen over gevaar, angst, neerslachtigheid, soms zelfs over wanhoop, maar zijn liederen eindigen gewoonlijk in majeur:

                               Zijn woede duurt een oogwenk,

                               Zijn liefde een leven lang,

                               met tranen slapen wij ’s avonds in,

                               ’s morgens staan we juichend op.

                               (...)

                               U hebt mijn klacht veranderd in een dans,

                               mijn rouwkleed weggenomen, mij in vreugde gehuld.

                               Mijn ziel zal voor uw zingen en niet zwijgen.

                               Eeuwige, mijn God, u wil ik eeuwig loven. (Psalm 30:6-13).

In het Jodendom is vreugde de belangrijkste religieuze emotie. Hier zijn we dan, in een wereld vol schoonheid. Bij elke ademhaling voelen we de geest van God in ons binnenste. We zijn omgeven door de liefde die de zon en alle sterren beweegt. Wij zijn hier omdat iemand dat zo wilde. De ziel die feest viert, zingt.

En ja, het leven is vol verdriet en teleurstellingen, problemen en pijn, maar onder dit alles is er het wonder dat we hier zijn, in een heelal vol schoonheid, onder mensen van wie ieder afzonderlijk een spoor van het aangezicht van God in zich meedraagt. Robert Louis Stevenson (Schotse schrijver en dichter 1850-94, red.) had gelijk toen hij zei: „Probeer er achter te komen waar de vreugde huist en geef haar een stem die het zingen ver overstijgt. Want de vreugde missen is alles missen."

In het Jodendom is geloof geen rivaal van wetenschap, geen poging om het universum te verklaren. Het is een gevoel van verwondering, dat voortkomt uit een gevoel van dankbaarheid. Jodendom gaat over het leven met beide handen aangrijpen en er een bracha over zeggen. Het is alsof God tegen ons heeft gezegd: ‘Ik heb dit allemaal voor jullie gemaakt. Dit is mijn geschenk. Geniet ervan en help anderen er ook van te genieten. Heel waar je maar kan, iets van het leed dat mensen elkaar aandoen of probeer de duizend slagen die het leven zelf ons lichaam toebrengt te verzachten. Want pijn, droefheid, angst, boosheid, jaloezie, wrok zijn zaken die jullie zicht vertroebelen en je scheiden van anderen en van Mij.’

Kierkegaard schreef eens: „Er is morele moed nodig om te treuren. Het vraagt religieuze moed om je te verheugen.” [3] Ik geloof dit met heel mijn hart. Dat is waarom ik geraakt wordt door de manier waarop Joden, die weten wat het betekent om door de vallei van de schaduw des doods te gaan, nog steeds vreugde zien als de ultieme religieuze emotie. Elke dag vangen wij onze ochtendgebeden aan met een reeks dankzeggingen, omdat we hier zijn, met een wereld om in te wonen, familie en vrienden om lief te hebben en door liefgehad te worden, over een dag vol mogelijkheden waarin wij door daden van liefde en goedheid Gods aanwezigheid door ons heen laten gaan, zodat die kan doorstromen in het leven van anderen. Vreugde helpt om enkele van de wonden van onze beschadigde, verdrietige wereld te helen.

[1] William Wordsworth, Lines Composed a Few Miles above Tintern Abbey, On Revisiting the Bank of the Wye during a Tour. July 13, 1798.

[2] Aristoteles, Nicomachean Ethica, 1097a 30-34.

[3] Søren Kierkegaard, Journals and Papers, 2179.

 Terug naar boven

Meer artikelen...

  1. 5777
  2. 5777
  3. 5777
  4. 5777