WUPJlogo 

Torah from Around the World
__________________________________________________________

 

Rabbi Tarfon vertelt de volgende parabel:
De dag is kort en het werk veel.
De werklieden treuzelen en het loon is hoog.
En de Eigenaar dringt aan.

Ook had hij als lijfspreuk:
Het is niet aan jou om de hele klus te klaren,
maar je mag je er ook niet aan onttrekken.
Heb je veel wijsheid verworven,
dan zal je daar veel profijt van hebben.
En de Opdrachtgever is betrouwbaar met het uitbetalen van het loon.
Maar als je goed kijkt is het loon er ook als je het niet ziet.  

 

Pirke Awot / Spreuken over de Fundamenten, 2: 15 en 16

(in de vertaling van Leo Mock en Marcel Poorthuis)

_______________________________________________________________

Indien u ons wilt steunen en ook in staat wilt stellen deze commentaren te verzorgen met een gift die aftrekbaar is voor de belasting, klik dan hier

Alvast onze dank.

_______________________________________________________________
  

Sjabbat 1 juli 2017 / 7 Tammoez 5777, Choekat, Bemidbar/Numeri 19:1 - 22:1
    Tanach blz. 307 - 314
Haftara: Sjoftiem/Richteren 11:1 - 33
    Tanach blz. 512 - 514

Commentaar: Rabbijn Jonathan Sacks, emeritus opperrabbijn van het Gemenebest.

vertaler: Channa Kistemaker

Het Engelse origineel

_____________________________________________________ 

 

Een verlies te boven komen

 

Het heeft mij twee jaar gekost om de dood van mijn vader, zijn nagedachtenis zij tot zegen, te boven te komen. Tot op de dag van vandaag, twintig jaar later, weet ik niet precies waarom. Hij stierf niet plotseling of op jonge leeftijd. Hij was al ver in de tachtig. In zijn laatste levensjaren moest hij vijf operaties ondergaan, waarbij hij telkens iets meer van zijn kracht verloor. Bovendien, als rabbijn moest ik regelmatig begrafenissen leiden en de nabestaanden troosten. Ik wist hoe rouw eruit zag.

De rabbijnen hebben altijd kritisch gestaan tegenover iemand die te lang rouwt. Ze zeiden dat God zelf over zo iemand zegt: „Heb jij meer mededogen dan Ik?" Maimonides geeft als richtlijn: „Een mens moet niet mateloos treuren om de dood van een ander, zoals er geschreven staat: 'Ween niet over de gestorvene en weeklaag niet over hem.' (Jirmijahoe 22:10) Dat betekent: 'Treur niet mateloos.' Doodgaan is de normale gang van zaken en iemand die daar mateloos over treurt is een dwaas." Uitzonderlijke gevallen daargelaten ligt de uiterste grens van rouw volgens de joodse wet op één jaar, meer niet.

Toch hielp al deze kennis mij niet. Wij zijn niet altijd de baas over onze gevoelens. Bovendien bereidt het troosten van anderen je niet voor op je eigen ervaring van verlies. De joodse wet geeft regels voor uiterlijk gedrag, niet voor innerlijke beleving. Wanneer zij al spreekt over gevoelens, zoals bij het gebod om lief te hebben in plaats van te haten, vertaalt de halacha (joodse wet, red.) dat doorgaans naar termen van gedrag. Uitgangspunt daarbij is, in de taal van het Sefer ha-Chinoech (het Boek van de opvoeding’ red.), dat 'het hart zich richt naar de daad'.

Ik voelde een existentieel zwart gat, een leegte in de kern van mijn bestaan. Het stompte mijn gevoelens af, zodat ik niet langer in staat was te slapen en me te concentreren. Het was alsof het leven zich ergens ver weg voltrok, alsof ik naar een onscherpe film keek, zonder geluid erbij. Die gemoedstoestand ging uiteindelijk voorbij, maar in die gemoedstoestand maakte ik een paar van de stomste fouten die ik ooit gemaakt heb.

Ik noem deze dingen, omdat ze de rode draad vormen van sidra Choekat. De frappantste episode is het moment waarop het volk klaagt over het gebrek aan water. Mosjé doet iets verkeerds en God laat wel water uit een rots stromen, maar legt Mosjé (en Aharon, vert.) een haast ondraaglijke straf op: „Omdat jullie niet op mij hebben vertrouwd, en in het bijzijn van de Jisraëlieten geen ontzag hebben getoond voor Mijn heiligheid, zullen jullie dit volk niet in het land brengen dat Ik het geef."

De commentatoren discussiëren over de vraag wat hij precies verkeerd gedaan heeft. Dat hij zijn zelfbeheersing verloor tegenover het volk? („Luister, stelletje opstandelingen!”) Dat hij op de rots sloeg in plaats van hem toe te spreken? Of dat hij het liet voorkomen alsof niet God, maar hijzelf en Aharon voor water hadden gezorgd? („Zullen wij voor jullie water uit deze rots laten stromen?")

Nog raadselachtiger is de vraag waarom hij juist op dat moment de controle verloor. Hij had eerder voor hetzelfde probleem gestaan, maar werd toen niet kwaad. In Sjemot/Exodus 15 klaagden de Jisraëlieten bij Mara dat het water ondrinkbaar was, omdat het bitter smaakte. In Sjemot 17, bij Massa en Meriva klaagden ze dat er geen water was. Toen had God tegen Mosjé gezegd dat hij zijn staf moest nemen en op de rots moest slaan, en het water stroomde eruit. Dus als God in deze sidra tegen Mosjé zegt: „Neem de staf (...) en spreek tegen de rots", dan was het toch beslist een vergeeflijke fout dat hij ervan uitging dat God bedoelde dat hij er ook op moest slaan. Dat had Hij immers de vorige keer ook gezegd. Mosjé handelde zoals hij de vorige keer had gedaan. Als God niet had gewild dat hij op de rots zou slaan, waarom gebood Hij hem dan de staf mee te nemen?

Nog moeilijker is de opeenvolging van gebeurtenissen te begrijpen. God had Mosjé precies verteld wat hij moest doen. Roep het volk bijeen. Spreek tot de rots en het water zal eruit stromen. Dat was vóórdat Mosjé zijn humeurige toespraak hield, die begon met „Luister, stelletje opstandelingen!” Het is begrijpelijk dat je je kalmte verliest, wanneer je voor een probleem komt te staan dat onoplosbaar lijkt. Dat was Mosjé al eerder gebeurd, toen het volk zich beklaagde over het gebrek aan vlees. Maar het is volstrekt onbegrijpelijk om zo te handelen nadat God je heeft gezegd: „Spreek tot de rots (...) Hij zal zijn water laten stromen. Jullie zullen water voor hen uit de rots laten komen, en mensen en vee te drinken geven." Mosjé had de oplossing in handen. Waarom was hij dan zo geërgerd door het probleem?

Pas toen ik zelf mijn vader had verloren, begreep ik deze passage. Wat was er namelijk kort tevoren gebeurd? Het eerste vers van het hoofdstuk luidt: „Het volk verbleef in Kadesj. Mirjam stierf daar en werd er begraven." Pas daarna wordt er verteld dat de mensen geen water hadden. Er is een oude overlevering die vertelt dat het volk tot die tijd gezegend was met een wonderbaarlijke waterbron dankzij de verdiensten van Mirjam. Toen zij was overleden, was er geen water meer.

Persoonlijk denk ik dat het dieper liggende verband niet is tussen de dood van Mirjam en het gebrek aan water, maar tussen haar dood en Mosjé's verlies van emotionele balans. Mirjam was zijn grote zus. Zij had over hem de wacht gehouden, toen hij als baby in een mandje gelegd was en de Nijl af dreef. Zij had de moed gehad en het initiatief getoond om de dochter van de farao aan te spreken en haar voor te stellen het kindje door een Hebreeuwse te laten voeden. Daarmee had zij Mosjé met zijn moeder herenigd en ervoor gezorgd dat hij opgroeide met het besef van wie hij was en bij welk volk hij hoorde. Hij had zijn gevoel van identiteit aan haar te danken. Zonder Mirjam was hij nooit het menselijk gezicht van God voor de Jisraëlieten geworden, de wetgever, bevrijder en profeet. Toen hij haar verloor, verloor hij meer dan een zuster. Hij raakte de menselijke basis van zijn bestaan kwijt.

Wanneer je een dergelijk verlies lijdt, raak je de greep op je emoties kwijt. Je merkt dat je kwaad wordt, terwijl de situatie om kalmte vraagt. Je slaat, terwijl je zou moeten spreken; je spreekt, terwijl je zou moeten zwijgen. Zelfs wanneer God je heeft gezegd wat je moet doen, luister je maar half. Je hoort de woorden wel, maar ze komen niet helemaal bij je binnen. Maimonides vraagt zich af hoe het kon dat Jaäkov, een profeet, niet wist dat zijn zoon Joseef nog leefde. Hij geeft zelf het antwoord: Jaäkov was in een toestand van rouw en de Sjechina komt niet bij ons binnen wanneer wij in de rouw zijn. Daar bij die rots was Mosjé niet een profeet, maar een man die zojuist zijn zuster was verloren. Hij was ontroostbaar en zichzelf niet meester. Hij was de grootste van alle profeten. Maar hij was ook een mens, hier meer dan ooit.

De sidra van deze week gaat over sterfelijkheid. Dát is de boodschap: God is eeuwig, wij zijn tijdelijk. Wanneer wij op Rosj HaSjana en op Jom Kipoer het Unetaneh tokef zeggen, zijn wij „een stuk aardewerk, een grasspriet, een verwelkende bloem, een schaduw, een wolk, een zuchtje wind". Wij zijn stof en tot stof zullen wij wederkeren, maar God is leven tot in eeuwigheid.

Op een bepaald niveau gaat het verhaal van Mosjé-en-de-rots over zonde en straf: „Omdat jullie niet op mij vertrouwd hebben, en in het bijzijn van de Jisraëlieten geen ontzag hebben getoond voor mijn heiligheid, zullen jullie dit volk niet in het land brengen dat ik het geef." Al weten we niet precies wat de zonde was en waarom die zo'n zware straf verdiende, we kennen in ieder geval het speelveld, het terrein waar het verhaal thuishoort.

Desalniettemin geloof ik dat hier, net als op andere plaatsen in de Tora, sprake is van een dieper liggend verhaal, en dat is van een heel andere aard. Choekat gaat over dood, verlies en rouw. Mirjam sterft. Aharon en Mosjé krijgen te horen dat zij de intocht in het beloofde land niet zullen meemaken. Aharon sterft en het volk rouwt dertig dagen lang om hem. Tesamen vormden zij het meest geweldige team van leiders dat het joodse volk ooit gekend heeft. Mosjé de hoogste profeet, Aharon de eerste Hogepriester en Mirjam, misschien wel de grootste van hen allemaal. Wat de sidra ons wil vertellen is dat er voor ieder van ons een Jordaan is die we niet zullen oversteken, een land van belofte dat wij niet zullen binnengaan. „Het is niet aan jou om de hele klus te klaren." Zelfs de grootsten onder ons zijn sterfelijk.

Daarom begint de sidra met het ritueel van de rode koe, waarvan de as, gemengd met de as van cederhout, hyssop en scharlaken wol, en opgelost in „levend water", gesprenkeld wordt over iedereen die in contact met een dode is geweest, zodat zij het heiligdom weer mogen betreden.

Dit is één van de meest fundamentele uitgangspunten van het Jodendom: de dood maakt onrein. De meeste religies in de geschiedenis van het Westen hebben het hiernamaals beschouwd als wezenlijker dan het leven zelf. Daar leven de goden, meenden de Egyptenaren. Daar leven onze voorouders, geloofden de Grieken en de Romeinen en vele andere primitieve stammen. Daar zal je gerechtigheid vinden, dachten vele Christenen. Daar vind je het paradijs, dachten veel Moslims.

Het leven na de dood en de opstanding van de doden zijn fundamentele beginselen van het joodse geloof, waar niet aan te tornen valt. Toch is Tanach merkwaardig stil over die dingen. Zij is gericht op het vinden van God in dit leven, op deze planeet, ondanks onze sterfelijkheid. „De doden prijzen God niet," zegt de psalm. God is te vinden in het leven zelf, met al zijn risico's en gevaren, verlies en rouw. Wij zijn misschien niet meer dan „stof en as", zoals Awraham zei, maar het leven zelf is een nooit ophoudende stroom, „levend water". Dat is wat het ritueel van de rode koe symboliseert.

Heel fijnzinnig weeft de Tora geboden en verhalen door elkaar. De geboden gaan vooraf aan het verhaal, omdat God de remedie geeft vóór de kwaal. Mirjam sterft. Mosjé en Aharon zijn overweldigd door rouw. Mosjé verliest voor een ogenblik zijn zelfbeheersing en hij en Aharon worden eraan herinnerd dat ook zij sterfelijk zijn en zullen sterven voordat zij het beloofde land zullen binnengaan. Dit is, zoals Maimonides zegt, „de normale gang van zaken". Wij zijn belichaamde zielen. Wij zijn vlees en bloed. We worden oud. We verliezen hen die wij liefhebben. Uiterlijk doen wij ons best onze kalmte te bewaren, maar van binnen huilen wij. Toch gaat het leven door en wat wij zijn begonnen, zal door anderen voortgezet worden.

Zij die wij liefgehad en verloren hebben, leven voort in ons, zoals wij zullen voortleven in hen die wij liefhebben. Want de liefde is sterk als de dood en het goede dat wij doen zal nimmer sterven.

 

Terug naar boven

 

Meer artikelen...

  1. 5777
  2. 5777
  3. 5777
  4. 5777